Ke
govern
3 2044
HARVARD UNIVERSITY LIBRARY 5 Sn
GRAY HERBARIUM - TN
Received 2% E he el
S Agt Se Radson Lo Marg 1 ee ER 8
hark
eN
TE VALETON,
ee bij. het Bosch- , Hi tegen vn, Nederlandsch-Indië.
den a sense id a DE ed heten KTO |
Digitized by the Internet Archiv ne in 2015 |
’, att
„ Rn WE https://archive.org/details/bijdrageno113tot3189 (OOI dk 5 ik
» ke DN ann Dr A na Rd
Mededeelingen uit ’s Lands Plantentuin N°, XVI.
BIJDRAGE N°. 8
TOT DE KENNIS DER
BOOMSOORTEN VAN JAVA
DOOR
S. H. KOORDERS, EN D". TH. VALETON,
Chef Te afd. („boschflora onderzoek Kruidhundig-ambtenaar _ bij het van Java’) van 's Lands Plan- Boschwezen van Nederlandsch- tentwin te Buitenzorg, amb- Indië,
tenaar b/h. Boschwezen
van Nederl.-Indië,
Additamenta ad cognitionem Florae arboreae Javanicae auctoribus S. H. Koorders et Th. Valeton. Pars II
BATAVIA — ’S GRAVENHAGE
G. KOLFF & Co. 1896.
Gray Herbarium Harvard University ‚in OA REE
’ : „ es . « -
BNSESEDD TENG.
Dit 3° deel is in manuscript afgesloten op 5 December 1895.
De wijze van bewerking is dezelfde als in deel T en Il met dit verschil alleen, dat wij een paar der belangrijkste cultuurboomen o.a. Mahagoni (Swietenia) iets uitvoeriger behandeld hebben dan dit in de vorige bijdragen met de eultuurboomen is geschied, en dat wij bij die geslachten welke een groot aantal soorten tellen, deze in een gering aantal, meestal 2, willekeurige groepen gesplitst heb- ben welke door enkele scherpe kenmerken kunnen worden uiteen- gehouden. Deze hoofdgroepen door de letters A, B etc. aangeduid zijn weder in kleinere groepen onderverdeeld en dit telkens herhaald, waarbij de gelijkwaardige groepen door correspondeerende lettertee- kens I, II, aa, bb enz. zijn aangegeven. Daardoor zal de lezer misschien iets gemakkelijker een hem onbekende soort thuis kun- nen brengen.
Ook hebben wij (hetgeen in monographiën gebruikelijk is) bij de literatuur-opgave een uitroepingsteeken geplaatst achter den naam des schrijvers, van wien wij het authentieke exemplaar konden vergelijken, terwijl hetzelfde teeken, achter den titel eener af beelding geplaatst, aanduidt, dat wij deze geraadpleegd hebben.
Deel IV is in manuscript gereed en zal spoedig volgen.
Buitenzorg, 15 April 1895.
KooRrDERS en VALETON.
INHOUD van DEEL 111.
Bldz
NEDO on a EE A il
RORNEEENEERBCOHERM EE te ef et De ve 208, INHOUD van DEEL II.
Begummosde-Caesalpimiae eo . oe oe att ee lis
BS iaosae-BaplHonaceae 4. ne ee D2,
WIDIROENE a var a we En 0 SUEROUIDEEDE. soe Eer ba do on E10 Eem ame EACCAOM EE Me A en 2202
INHOUD van DEEL I.
BEGI oen ho Gt EEP EEEN EEEN neen met a Od 64, EO ERELEGKONN ed Ot ee el ede EEEESCERCNNEE NE EN ee veen OE Tare SL, EEE er eN ee er nn nd 127, OENE en el et 159, BEEN SCEEONN Eee en Oo ee ZL, UILEN 5 Gn 7 OEE en en te Te e= 206.
ROCOCO BENN es nets oe a Dv284. Weeuminosae-Mimoseae …— … 0. on oe u te oe « « 265.
MELIACEAE.
Jussreu, Mémoire sur la Groupe des Meliactes in Mém. Mus. Hist. Nat. xix, 1830, — DC. Prodr. 1 619. -- BENTHAM et Hooker, Gen. Plant. 1 327. — Mrqver. Ann. Mus. Bot. Lugd. Bat. rv fasc. 1. — HierN in Hooker, Fl. Br. Ind. 1 540. — Cas. De CANDOLLE in Dr Canp. Monogr. Phaner. 1 399. — Hassk. Hort. Bog. p. 121. — Kine Materials for a Flora of the Malayan Peninsula 11 505. — Borrr. Handl, 1 182, — BRANDIS For. FI. 68. — Kurz. For. FI. 1 210.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig, regelmatig. Kelk klein, 3—6-lobbig, zelden gaafrandig of uit 4—5 vrije kelk- bladen gevormd; meestal dakpanswijze dekkend in den knop. Bloem- bladen 3—6 zelden 10 (Megaphyllaea), vrij of zelden aan de basis vergroeid, soms met de onderste helft der meeldradenbuis samenhan- gend, in den knop klepswijze aaneensluitend of dakpanswijze dekkend ineengedraaid. Meeldraden 4—12, meestal 8—10, aan de basis van de hypogynische schijf ingeplant; helmdraden tot een buis ver- bonden, zelden vrij; helmknoppen opgericht, meestal zittend op de buis en daarbinnen besloten of er boven uitstekend, 2-hokkig; in de lengte openbarstend. Hypogynische schijf steel- buis- of ringvor- mig of weinig ontwikkeld, vrij of met den eierstok vergroeid. Eierstok meestal vrij, 2—5-hokkig. Stijl enkelvoudig. Stempel schijf- of knopvormig. Eitjes nu eens 2 in elk hokje naast of boven elkander, (zelden 1), dan weder 4—oo, in 2 rijen, en nu eens anatroop met buikstandige zaadnerf en naar boven en naar buiten gericht poortje, dan weder orthotroop. (Het eerste geval dikwijls bij het onderste en het tweede bij het bovenste eitje in hetzelfde hokje). Doos-, steen- of besvrucht. Zaden nu eens zonder kiemwit, dan weder met vleezig kiemwit, dikwijls met een onvolkomen of volkomen zaadrok,
MrrIACEAE. — J —=
Boomen of heesters; meestal melksaphoudend. Bladeren afwisse- lend, zelden tegenovergesteld; zonder steunbladjes‘ aan den bladvoet ; meestal gevind, zelden enkelvoudig (1) of dubbel gevind (2). Blaadjes tegenovergesteld of afwissellend, zonder steunblaadjes aan de bladspil; meestal geheel en al gaafrandig en min of meer schuin aan de basis. Bloemen meestal in okselstandige pluimen.
Het aantal soorten wordt door Kina op 700 geschat behoorende tot 37 geslachten.
Op Java komen 14 geslachten voor, waarvan echter drie: Cipadessa, Twrraea, Munronia niet door boomachtige vormen zijn vertegenwoordigd.
In het Herbarium Amboïinense van Rumeurus behooren volgens HAssKARL Neuer Schlüssel le. de volgende beschreven en afgebeelde soorten tot de Meliaceae:
Tomus 1 167 t. 64. — Sandoricum sive Sandori- of Sattulboom. Vol- gens verschillende schrijvers en ook volgens onze meening Sandoricum indicum Cav.
Tomus IL 62. — Corten oninius sive Massoyboom. Alleen door HerscreL is in 1833 deze plant in zijn Clavis Rumphiana alseen Melia beschouwd. Volgens onze meening is de determinatie van HerscueL onjuist en behoort de plant niet tot de Meliaceae, maar zeer waarschijnlijk tot de Lauraceae en wel tot het geslacht Cinnamomum, zooals o.a. Nees l.c. opgeeft.
Tomus II 81 t. 20. — Alliaria sive Caju-bawang. De zienswijze van vele schrijvers, dat deze door R. uitvoerig beschreven en vrijgoed afge- beelde soort Dysoaylum alliaceum Bu. schijnt ons juist toe. Vooral de beschrijving past o.i. beter op deze Dysorylum dan op andere van den Maleischen Archipel bekende soorten.
Tomus 1. 151 t. 54. — Lansium of Lansa-boom. Reeds, en o.i. ten rechte door HasskArL en anderen voor Lansium domesticum Jack. gede- termineerd. Zie hieronder „Cultuurboomen.”
Tomus 1 154 t. 55. — Lansium montanum of Berg-lanse-boom. — Volgens sommigen Milnea montana Jack. Volgens TeysmanN en ook o. i. een Aglaia soort, doeh onzeker welke species van Aglaia.
Tomus III 92; 98 t. 61. — Granatum litoreum sive Strand-Granaatboom. — De afbeelding, zoomede de beschrijving van den „grootbladigen Strand-Granaatboom, beantwoordt volgens verschillende schrijvers aan Carapa moluccensis Lam; de door R. alleen beschreven „grootbladige” soort is o.i, de Carapa obovata Br.
(1) (o. a. Turraea). (2) Bij sommige geslachten met gevinde bladeren (Aglaia, Dysorylum) zijn de bladeren van zeer jonge, uit zaad gekweekte planten enkelwoudig.
en
MELIACEAE.
Tomus III 66—68; 126; t. 39. — Surenus sive Soerenboom. Door ver- en door ons voor C. febrifuga Bu. gehouden en wel waarschijnlijk een der varieteiten.
schillende schrijvers voor Cedrela Toona Rox.
Tomus VIT 38.— Tjoelang sive Tjiulang-struik. — Volgens enkele auteurs Aglaia odorata Lour. volgens anderen A. odoratissima Br. Vol- gens onze meening is de eerste determinatie waarschijnlijk juist.
Overzicht der geslachten.
1. Meeldraden vrij. Zaden gevleugeld
Meeldraden vergroeid (bij Walsura soms vrij)
Zaden niet gevleugeld .
2. Hokjes van den eierstok met 2—8 eitjes. Zeer
groote doosvrucht met talrijke zaden.
Hokjes van den eierstok met 1 of twee eitjes. ji 3. Zaden met kiemwit. Bladen 2-3 x gevind. Blad-
rand gezaagd.
Zaden zonder kiemwit. Bladen enkelgevind. 4. Worteltje buiten de zaadlobben uitstekend. Blad-
rand gezaagd. . Worteltje ingesloten. Bladrand gaaf.
5. Schijf òf ring- òf kort-steelvormig òf ontbrekend.
Schijf buis- of bekervormig.
6. Vrucht een steenvrucht met 5 daens Bladen
drietallig. Stempel 5-deelig of- tandig.
Vrucht openspringend of halfvleezig met 1—3 zaden. Bladen gevind. Stempel cylindervormig. Bloemen en meeldradenbuis in de ee gerekt; stijl lang.
Bloemen en meeldradenbuis ‘bolvormig. st kort
of ontbrekend.
8. Helmdraden van boven of geheel vrij Schijf
vleezig-ring vormig.
Helmknopjes in de buis ingesloten of naar binnen
gekromd. Schijf ontbrekend.
9. Bloembladen 3. 5 Bloembladen 4-5. Haren altijd stervormig. Bloembladen 5. Haren enkelvoudig.
Uitsluitend op Java gecultiveerd.
Cedrela odorata, L. Oorspronkelijk in Mexico.
. Cedrela.
. Carapa.
. Melia.
. Azadirachta.
. Sandoricwm. . Dysorylum.
. Chisocheton.
Walsura.
. Amoord. „ Aglaia. . Lanstwm.
Dr. van Rompurem in Aanteekeningen Cultuurtuin Tjikeumeuh van s’ Lands Plantentuin te Buitenzorg (1892) zegt van deze soort het volgende: „Deze boom, die het bekende sigarenkistenhout levert, groeit hier bijzon- der snel. De aanplant dateert van December 1880. De boomen hadden na een jaar reeds eene hoogte van 3—4.5 M.…, bij een omvang van 0.1—0.19 M. Nu ze ruim 2 jaar oud zijn hebben verscheidene reeds
een hoogte van 6 M. bij een omtrek van 0.29 M.
De plantwijdte bedraagt
3.6 M. Onder deze Cedrela zijn onlangs plantjes van Alangium sundanum uitgezet, voor welke zij als steunboom moet dienen”,
MEeErIACEAF. le
Te oordeelen naar de in ’s Lands Plantentuin gecultiveerde door ons nog niet bloeiend of vruchtdragend onderzochte boomen is deze soort van de andere hieronder genoemde Cedrela’s te herkennen aan den hoogst onaangenamen aan zwavelwaterstof en verrotte uien herinnerenden reuk der bladeren, welke reuk bij een paar andere Cedrela’s in mindere mate ook voorkomt. Vooral met het exemplaar uit den Cultuurtuin schijnt dit het geval. Im Verslag ’s Lands Plantentuin over 1893 staat: „De groei van dezen boom is hier buitengewoon welig. Het laat zich aanzien dat hij geschikt zal zijn voor schaduwboom. De nu 5-jarige boomen hebben een hoogte van 12—14 M. Ze hebben nog niet gebloeid.”
Op grootere zeehoogte dan Buitenzorg, nl. op de theeplantage Sinagar van den Heer KeRKHOvEN is onlangs ook een proefaanplant van deze boomsoort aangelegd.
Cedrela sessilis Vern. „Vaderland Brazilië. Deze boom werd in 1882 in den Cultuurtuin aangeplant en groeide aanvankelijk op een enkele uitzondering na goed. Ze hebben nu eene hoogte van 4—7.5 M. Onder hun schaduw, die licht is, bevindt zich een aanplant van gambier. De behandeling der zaden is als die van Cedrela serrulata. De langzame groei en de geringe schaduw maken deze boomen, althans voor schaduw- boomen in koffietuinen, weinig geschikt’ (Van Romsurer Lc.)
Cedrela serrata Rove (C. serrulata Mra.) Zie de uitvoerige beschrij ving hieronder bij Cedrela.
Choroxylon Swietenia DC; Satijnhout. Geogr. verspr.: „In droge streken van Voor-Indië en Ceylon.’ Op Java: alleen gecultiveerd in ’s Lands Plantentuin. —,Bladafval:? Loofverliezend. Bloei-en vrucht- tijd: In Voor-Indië bloemen in Maart rijpe vruchten Juni. — Hout: Kernhout welriekend, met fraaien satijnglans („satijnhout”), lucht- droog, groenachtig wit met gelen tint, of geel en gevlekt, fijndradig. Spec. Gew. 1.0—0.8 luchtdroog. Sterktefactor P —600—1059— Gebruik: Hout is vergeleken met Burus-hout uit Europa, maar voor houtsnijwerk niet en voor draaiwerk uitstekend geschikt bevonden. In Engeland geïmporteerd en dáár voor fijn schrijnwerk gebezigd. In Voor-Indië voor landbouwwerktuigen gebruikt. — Inl. naam: Satinwood (Engelsch); Satijnhout (Hollandsch). — Cultuur. Om het hout en met het oog op den goeden groei in ’s Lands Plantentuin aantebevelen. In den Gids voor den Cultuurtuin te Tjikeumeuh van Dr. v. RoxBurem is over deze boom- soort het volgende medegedeeld: „De aanplant van deze boomsoort in den Cultuurtuin dagteekent van 1889. Aanvankelijk groeiden de boomp- jes, die in de schaduw van Albizeia moluccana stonden, slecht. Nadat de schaduwboomen geveld waren, kon in den groei een belangrijke verbe- tering opgemerkt worden. In hun jeugd moet men de boompjes steunen. De plantwijdte is 5.2 M. De hoogte der boompjes is nu 2.6 M. Een 13 jarige boom in den cultuurtuin heeft een hoogte van 15 M. bij een omvang van 0.85 Habitus: De boom blijft volgens Branpss in Centraal (Voor-) Indië klein en wordt in Zuid- (Voor-) Indië iets grooter (bijna 14 Meter kruinhoogte).
Heynia sumatrana Mia. Zeer fraaie sierboom uit Sumatra. Im ’s Lands Plantentuin staat een rijk vruchtdragend, ongeveer 13 M. hoog exemplaar.
— 5 — MELIACEAR,
Tot dus ver nog zeer weinig buiten ’s Lands Plantentuin gecultiveerd. Voor cultuur, vooral om de sierlijke vruchten aantebevelen.
Flindersia amboinensis Porr. — „Inheemsch op klein Ceram en de kust van Hitoe. Hout voor stylen en timmerhout” (Rumrurvs). Op Java slechts één boom van 35 Meter hoogte in ’s Lands Plantentuin. Volgens den Heer Wraman (Teysmannia 1890 p. 224) verdient deze boom meer aangeplant te worden, omdat de boom zeer nauw verwant is met deugd- zame houtsoorten als Cedrela’s (Sigarenkistenhout) en Swietenia's (Maha- gonihout).
Melia Azedarach L., M. sambucina Bu. en M. Bogoriensis Ket V. Zie hieronder bij Melia.
Lansium domesticum Jack. Zie hieronder bij Lansium.
Aglaja odorata Lovr. Boomheester of zeer lage boom. Vaderland China. Vrij algemeen als sierplant in tuinen. De kleine, welriekende bloemen zeer gezocht, en om ze in het haar te dragen, en om ze tusschen de kleederen te leggen. Patjar-tjind, j.— Patjar-tjina, ml. = Tjoelan, s. Volgens den Heer Wri1acMman zeer geschikt voor levende omheiningen.
Swietenia macrophylla? „Van deze boomsoort, die nauw verwant is aan het mahoniehout, werden in December 1888 een rij plantjes langs de grens van den Cultuurtuin en het krankzinniggen gesticht uitgeplant. Reeds na een jaar hadden zij eene hoogte van 2.75 M. en nu, op ruim 3 jarigen leeftijd, zijn de meesten reeds 5—6 M. hoog, terwijl hun omvang 0.18— 0.24 M. bedraagt. De boomen staan in de volle zon op een terrein, dat niet door vruchtbaarheid uitmunt. Ze werden 2.7 M. van elkander verwijderd uitgeplant.” (Van RomsBurem Aant. Cult 1, c.).
In den Index Kewensis ontbreekt deze species. De autor is ons onbekend.
Swietenia Mahagoni.... Geogr. verspreiding: Op Java met succes in het groot gecultiveerd, hier echter niet wild of verwilderd. Inheemsch in Zuid- en Midden-Amerika; dáár volgens C. Dc. tot op 1000 M. zee- hoogte; op Java in het benedendeel der heete laagvlakte naar het schijnt beter groeiend dan daarboven. In 1895 volgens Gamsre in Botan. tuin Calcutta ingevoerd door zaad uit Zuid-Amerika. Eerste aanplantingen in bergstreken aldaar mislukt; in laagvlakte dáár echter evenals op Java geslaagd en gestadig uitgebreid.
Bladafval: Op Java altijdgroen; zelfs in drogen oostmoesson op vrij dorren bodem nog in vol blad, — Vermenigvuldiging: Met succes alleen door zaad. „The difficulty in propagating Mahagony in India arises mainly from the want of seeds” zegt Gamrre; volgens hem zijn pogingen tot vermeerdering door stekken steeds mislukt; vermeerdering door „af- leggers” (tjangkoks) gelukt. Deze schenen meer zaad op te leveren, maar door lager vertakking minder bruikbaar hout te leveren. Cultuur door zaad verdient echter verre de voorkeur. Op Java zijn in 1892 in Tëgal volgens opgave van den Inspecteur van het Boschwezen W. Buurman Van VrerepeN reeds 12 hectaar gecultiveerd met plantjes gekweekt uit zaad van de in 1879 bij Margasari door den Heer Buurman geplante
MELIACEAE. — 65
boomen. De even oude boomen in ’s Lands Plantentuin droegen, wellicht als een gevolg van de grootere zeehoogte of van het verschil in klimaat eerst een paar jaar later vrucht dan de boomen in Tëgal. In 1894 werd hier echter een goede oogst zaden van den toen 15 jaar ouden aanplant verkregen. — Gebruik: Hout: Vooral in Europa zeer gezocht voor meubels; volgens BrANDis ook voor scheepsbouw. „Jaarlijks uit Honduras, Jamaica en St. Domingo in Engeland ongeveer 40000 ton ingevoerd. Kernhout roodbruin, zeer breed, zeer duurzaam. Van luchtdroog hout, het spec. gewicht 0.56—0.88 en sterkte factor P— 425—637. De hout- kwaliteit van een (bijna volwassen) in Britsch Indië gevelden boom werd uitstekend bevonden. Dáár zijn eenige boomen van 1827. Van een der oudste boomen uit Margasari in Tëégal werd een tafeltje ver- vaardigd en op de Tentoonstelling te Batavia in 1893 trok dit de aan- dacht door het fraaie uiterlijk. Omtrent de duurzaamheid van mahonie- hout op Java (o.a. tegen witte mieren) zijn voor zoover ons bekend geen gegevens gepubliceerd.
Aan de verslagen van ’s Lands Plantentuin is het volgende ontleend:
Van deze plant, reeds lang in den Plantentuin aanwezig, werd in 1871 eene hoeveelheid zaden ontvangen. De daarvan gekweekte planten groeiden goed en bereikten in 2 jaren eene hoogte van 4.4 M. Later werden nog jonge plantjes uit Ceylon en zaden uit Jamaïca ontvangen. Uit deze laatsten werden 253 plantjes gekweekt, die, toen ze ongeveer 30 eM. hoog waren, in den Cultuurtuin werden uitgeplant.
Deze aanplant groeide aanvankelijk goed door, maar had in 1883 van een gomgziekte te lijden, waardoor de boomen sterk leden. Door grond- bewerking, bemesting en draineering gingen de boomen later weer goed doorgroeien. In 1886 hadden de toen 6 jarige boomen een gemiddelde hoogte van 7 M. bij een omvang van 0.54 M. en nu in Maart 1891, is de hoogte der best ontwikkelde boomen 13 M., terwijl de omvang 0.76 M. bedraagt.
Nog beter dan in het Buitenzorgsche waren uitkomsten van proeven door den houtvester van Rembang-Blora genomen. Het krachtigst groei- den de planten in het zilte zand, bijna onmiddelijk aan het zeestrand. Schaduw werkt nadeelig op den groei der Mahonieboomen. Behalve door zaden laten zij zich ook door marcottes vermenigvuldigen. De zaden zaait men uit op kweekbeddingen; als de plantjes eene hoogte van 30— 60 cM. hebben, kan men ze uitplanten. De gom, die deze boom soms uitzweet, is in water oplosbaar.
Schors, bladeren enz.: Geen gebruik bekend. — Cultuur en groei- snelheid: Door den Inspecteur van het Boschwezen W. BUURMAN vAN VREEDEN werden ons over de welgeslaagde cultures op Java dezer uitne- mende boomsoort de volgende gegevens verstrekt: „1° Voor zoover mij bekend werd de Mahonieboom (Swietenia mahagoni) voor het eerst in 1879 op Java ingevoerd. 2e. In het najaar van 1879 ontving onder- geteekende, destijds houtvester van het Boschdistrict Pëkalongan—Tëgal, eenige pitten van Batavia, die ter hoofdplaats Tëögal door mij werden uitgepoot in kisten. De daarvan verkregen planten werden in den West- moesson 1879/80 uitgeplant bij de passangrahan te Margasari, evenals in het 1° jaar perceel Rantjawoengoe en een paar boomen ter hoofdplaats Tegal, aan den weg voor het residentiehuis. 3°. De cultuur 1879-—’80 heeft eene zeer geringe uitgestrekheid; bij de passangrahan Margasari staan 40 boomen en in eerste jaar perceel Rantjawoengoe, is $ bahoe
— 1 — MErIACHAR.
daarmede beplant. In 1892 werden wederom 12 hectaren, in het 2e jaar perceel Sëpët daarmede beplant, in 3 op 1 Meter verband, Het zaad was afkomstig van de 40 boomen bij de pasanggrahan bovengenoemd. 4e, De grootste boom staat bij meervermelden pasanggrahan, is thans circa 16 jaar oud, heeft eene hoogte van 19.30 Meters en een diameter op borsthoogte van 0.53 Meter. 5e, De bloeitijd valt in de maanden December en Januari, de zaden zijn rijp omstreeks September of October van hetzelfde jaar. Im 1892 heeft de Mahonie in Tegal voor het eerst gebloeid en vrucht gedragen, dus op circa 134 jarigen leeftijd; uit deze zaden is de aanplant in het 2e jaarperceel Sepet, bovenbedoeld voortgekomen. 7e, Het uitzaaien geschiedt het best in asch, om te voorkomen, dat de veel zetmeel bevattende vleugelzaden door witte mieren, enz. worden vernield. Het ontkiemen heeft pas ongeveer eene maand na de uitzaaiing plaats. Het plantsoen in het 2° jaarperceel Söpët heeft veel te lijden gehad van larven, die de jonge takjes van boven in boorden; ’t merg werd vernietigd door die larve, welke tot ongeveer 1 à 2 decimeters beneden de plaats van inboring (meestal een bladoksel) voortging en zich vervolgens verpopte. Dat gedeelte van de tak stierf af; bij het invallen der regens verdween de larve en herstelden zich de boompjes weder door nieuwe twijgvorming, maar kregen daardoor een sterk in de breedte ontwikkelde bolvormige kroon. Opvallend is het, dat de in 1879 uitge- zaaide Mahonie exemplaren, door deze larve niet werden aangetast.” Aldus de Heer Buurman.
In Teysmannia Dl. IL p. 236 staat nog het volgende:
De Soeren-soort op Ceylon veelvuldig gecultiveerd (Cedrela Toona)en ook de Mahonie-boom (Swietenia Mahagoni) vertoont dikwijls een afsterven aan de jongste takuiteinden. Het blijkt, dat dit verschijnsel veroorzaakt wordt door de larven van een klein nachtvlindertje, Magiria robusta Moore genoemd.
Volgens Gamsre hadden eenige der oudste in 1827 in Britsch-Indië geplante Mahonie-boomen in 1873 ruim 30 M. tophoogte bij circa 70 cM. stammiddelijn op borsthoogte. De cultuur van den Mahonie kan op Java, vooral in de djatiboschstreken van Midden-Java, op grond der door het Boschwezen opgedane ervaring sterk aanbevolen worden. — Inl. namen: Door inlanders met den „Hollandschen” naam „Mahoni”’ ml. j. aangeduid. — Habitus: In het djatibosch trekt een Mahonie-plantsoen vooral in den Oostmoesson door de frische dichte kronen de aandacht, omdat dan de djatiboomen en talrijke andere dáár wildgroeiende soorten bladerloos staan.
1. MELIA Z.
Bloemen tweeslachtig. Kelk uit 5 vrije kelkbladen gevormd of 5-spletig. Bloembladen 5; vrij; veel grooter dan de kelk. Meeldraden tot een buis verbonden, welke slechts weinig korter is dan de bloembladen en aan den top in slippen verdeeld, waartusschen of waarvóór aan den binnenkant de helmknoppen zitten; deze recht- opstaand, basifix, aan den top puntig, gedurende den bloei uitstekend.
MELIACEAE. —=.8 — Merra.
Stuifmeel bolvormig met 4 poriën. Hierstok 5—8-hokkig, op eene zeer korte, min of meer napvormige schijf geplaatst; hokjes tegenover de bloembladen; elk met 2 eitjes boven elkander. Stijl vele malen langer dan de eierstok, in een korten, cylindrischen, aan den top
gelobden stempel eindigende. Steenvrucht vaak vleezig, met een
houtachtige kern en 1—2-zadige hokjes. Zaden hangend, elliptisch; zaadhuid bros. Kiemwit vleezig of in geringe hoeveelheid. Kiem- worteltje rolrond, naar boven gericht, buiten de zaadlobben uit- stekend.
Boomen of heesters; met bladknoppen zonder bladschubben; met stervormige haren of schubjes bedekt. Bladeren afwisselend, twee- of driemaal gevind, met gezaagde of gaafrandige vinblaadjes. Bloemen langwerpig, in tot okselstandige pluimen vereenigde bij- schermen.
Aantal soorten ongeveer 10 (1) in de tropische en subtropische gewesten van Afrika, Azië en Australië.
Van deze soorten wordt M, Azedarach L. in alle warme en tropische gewesten gekweekt (ook in Zuid-Europa). Volgens de meeste schrijvers is het vaderland dezer soort Noord-Indië, Perzië, en China; volgens C4s. Dec. komt zij in alle tropische streken ook wild voor.
Een tweede soort, die volgens Brume op Java in tuinen gekweekt wordt is Melia sambucina, door MrQuer bij M. Azedarach getrokken, maar volgens Cas. Dec. naar een exemplaar van TerysmanN in Herb. Berl., daarvan geheel verschillend.
Het schijnt deze soort te zijn, die in Buitenzorg als vooral Tjakra-tjikri voor bouquetten gekweekt wordt, daar zij het geheele jaar door bloeit en die hoogst waarschijnlijk onder den naam M. sempervirens Hort. Calc. uit den Hortus van Calcutta is overgebracht.
Een derde soort in ’s Lands Plantentuin gekweekt en die van daaruit als schaduwboom voor koffietuinen en. om het hout algemeen is verspreid (onder den onjuisten naam M. Candolle Juss.) komt met geen der beschreven soorten overeen en is door ons als nieuwe soort M. Bogoriensis beschreven.
Wildgroeiende soorten zijn tot dusver voor Java niet vermeld. In Herb. Kps. komt echter ééne soort voor, die in West-Java wildgroeiend wordt aangetroffen, en die wij, daar bloemen ontbreken „voorloopig naar de bladeren en vruchten als M. composita WiuLp. eene in de tropen algemeen verspreide soort hebben gedetermineerd. Een andere soort, die in Oost-Java en Midden-Java verwilderd en misschien ook oorspron- kelijk wild wordt aangetroffen en die overigens door geheel Java veel gekweekt wordt, beantwoordt niet aan één der door C. DC. beschreven
(1) C. Dec. vermeldt 12 soorten; van deze vervallen echter volgens Kina Melia “to- mentosa RoxB. en Melia excelsa JACK waarvan de eerste zeker (hetgeen reeds uit de beschrijving blijkt) tot het geslacht Chisocheton, de laatste zeer waarschijnlijk tot Dyso- «eylwm behoort (zie Mrq. Ann. IV p.21.)
ed
MerrIA. — 9 — MELIACEAE.
soorten, en is door ons als een niewwe varieteit bij de naar het schijnt sterk varieerende M. Azedarach L. beschreven.
Overigens moet hier opgemerkt worden, dat eensdeels ten gevolge van de overeenkomst in habitus der soorten, vooral in sicco, anderdeels ook waarschijnlijk ten gevolge van variatie, de bestaande beschrij vingen veel aan scherpte te wenschen overlaten en die eener zelfde soort bij verschillende auteurs belangrijke verschillen vertoonen. Zelfs met behulp van de monographie van C. Dro. is het onmogelijk eenige soort met zekerheid te bepalen.
Calyx B-sepalus vel- fidus. Petala 5 Libera, lineari-spathulata, patentia, aestivatione contorta. Tubus stamineus subeylindrieus, ore dilatato 10—30- laciniato; antherae 10, inclusae, erectae, apiculatae inter vel ante lacinias sessiles. Pollen subglobosum 4-porosum. Discus brevissime stipitiformis, cu- pularis. Ovarium subglobosum, 5—8-loeulare; stylus cylindricus, stigmate capitato 5—10-lobo; ovula in loculis 2, superposita. Drupa subcarnosa, putamine osseo 1-5-loeulari, loeulis 1-spermis. Semina pendula, vesta crus- tacea, albumine carnoso saepius parco; cotyledones carnosae; radicula teres supera e cotyledonibus exserta.
Arbores vel frutices. Gemmae foliaceae. Folia alterna, 2—3-pinnata, novella et inflorescentia saepe stellato-tomentosa, foliolis petiolulatis den- tatis vel serratis rarius integris. Paniculae axillares, amplae, ramosissi- mae, oo-florae. Flores mediocres, albi v. purpurei; hermaphroditi.
1. Melia composita, Wrrrp. Sp. pl. 1 558; [non De. Prodr. teste Cas. Drc.]; King Flor. mal. 2 p. 506; Bepp. Fl. Sylv. t. 12; Branpis Por. Fl. 69; MiQ. Ann. Le.; — Melia dubia HrerN (non Cas.) in Hook F. B. I. 1 545; Cas Drc. l.c. p. 453; TRIMEN! Fl. Ceyl. 1 443; — M. robusta. ex horto bot Calc!; (== M. superba (Roxs.?) Cult. H. Calcutta! in Herb. Bog.); — M. Bambolo)WeLw. Cas Drc. (fide Kine).
„Bladeren langgesteeld; 2—3-dubbelgevind; vinnen 1 —2-jukkig blaadjes gaafrandig of gekarteld, geheel onbehaard; bladspil dun- kort-behaard. Pluimen langgesteeld, langer dan het halve blad, vertakt, aan den top melig-beschubd; zijtakken langgesteeld, tuil- vormig-vertakt. Bloemen kort-gesteeld. Kelk smal- en spits-vijfdeelig, van buiten dicht-lang-behaard. Bloembladen aan beide zijden ‘dicht viltig-behaard + 6 mM. lang. Buis rolrond, van buiten zonder
franje, aan weerskanten dicht-behaard (?) met 20 korte spitse lijn-
MELIACEAE. — 10 = MErIA.
vormige slippen; helmknoppen ei-vormig elliptisch puntig onbehaard, boven de slippen uitstekend. Schijf kort-steelvormig, aan den top napvormig, aan den top napvormig. Bierstok onbehaard, 5-hokkig ; stempel kort cylindrisch, aan den top met 5 spitse tandjes. Steen- vrucht 30 mM. lang bij 15 breed. Steen zeer hard en dik.” (Cas. Dec.)
Aanm. De beschrijving van Kina 1. c. wijkt in enkele punten van die van Cas. Dec. af. Vooreerst hebben de vinnen volgens hem (en ook volgens TRIMEN Ll. c.) 2—5 paar blaadjes; verder geeft hij op: meeldradenbnis met 10 tanden; deze 2-spletig, aan weers- kanten zijdeachtig-behaard; helmknopjes harig.
De bloemen van in Hort. bot. Calcutta gekweekte exemplaren onder de namen M. robusta en M. superba. Roxb. Warr. No. 1254a en van een exemplaar uit Ceylon (herb. Thw. 699) werden door ons onderzocht en het volgende waargenomen. Bij alle was de meel- dradenbuis van buiten onbehaard, aan den top met 20 of minder dunne, draadvormige, zeer korte slippen, veel korter dan de helmknopjes en twee aan twee met deze afwis- selend, soms twee aan twee vergroeid; en met onbehaarde eivormige puntige helmknopjes, die op zeer korte helmdraden op den rand der buis geplaatst zijn en bijna geheel uitsteken.
Volgens HIERN zijn de bloemen groenachtig wit, welriekend.
De exemplaren uit Herb. Kps. niet bloeiend, waarschijnlijk tot deze soort behoorende hebben de volgende eigenschappen:
Een exemplaar uit herb. Calc., onder den naam M. composita door Masters in Assam verzameld, wijkt in den bouw der bloemen nogal af en schijnt ons tot een andere soort te behooren, door ons als M. Bogoriensis beschreven (zie beneden).
Hooge boom: H == 25—28 M. bij D=35—45 cM. Stam recht, rolrond; zonder gleuven; met zeer kleine wortellijsten. Kroon hoogaangezet; zeer iijl; onregelmatig. Takken: niets op- merkelijks. Uiterste twijgen dun. Schors: taai; buiten grauw; doorsnede rozarood; binnen geelwit; soms (? altijd) talrijke buiten- gewoon groote lenticellen; zonder melksap; met veel bladgroen; reukeloos; zeer bitter smakend.
Bladeren langgesteeld 3—8-jukkig, tot 650 mM. lang. Blaadjes aan elke vin 3—7-jukkig, gesteeld, eivormig of ei-lang werpig, meest met ronden voet; spits toegespitst, grof-oppervlakkig-stomp-gezaagd of- gekarteld; de grootste aan de steriele twijgen 90 mM. lang bij 50, gemiddeld 60 bij 30; de onderste blaadjes der middelste vinnen dikwijls weer driebladig ; volwassen onbehaard of aan de onderzijde met verspreide sterschubben, bladspil, zijspillen en steeltjes kort behaard, glad wordend. Bloemen onbekend. Steenvruchten in sicco 25—30 mM. lang bij 20 breed met dikken harden 5-hokkigen steen, waarvan dikwijls slechts één hokje ontwikkeld is.
Merra. — il = MELIACEAE.
Aamm. Beschrijving naar Herb. Kps. vooral naar 5148 2 5149 3. Deze soort is zeer kenbaar door de aanzienlijke grootte der vruchten en daardoor vooral van de meeste overige soorten onderscheiden. Voorts moeten de bloemen (volgens HrernN) groenachtig wit en welriekend zijn, en zijn de bloeiwijzen veel dichter ineengedrongen, de kroon- bladen dichter behaard, de slippen der meeldradenbuis korter en fijner dan bij M. Azec- darach.
Volgons TRIMEN is het een zeer snel groeiende, zeer hooge boom, met een dunnen donker- purperbruinen schors; en wordt het lichte, zachte, lichtbruinroode hout met groote poriën veel gebruikt.
De gegevens door ons van BRANDIs en GAMBLE overgenomen, zijn alleen geldig voor de in Britsch-Indië gegroeide boomen van deze soort.
Geogr. verspreiding: Aan ons op Java nog alleen bekend enkele wildgroeiende boomen van O — 200 M. zeehoogte aan de zuidkust van de Preanger bij Palaboean en van Banjoemas bij Tjilatjap, zoomede bij Tjémara in Z. W. Bantën. Gecultiveerd ons alleen uit de Preanger bekend o. a. beneden Pangentjongan in de afd. Limbangan op 1100 M. zeehoogte. Bwiten Java: „Voor- en Achter-Indië; Ceylon ; Malakka; Maleische archipel; Australië’ (Branpis). — Bladafval: Loofverliezend in oostmoesson o.a. in Augustus bladerloos aan zuidkust Preanger. — Bloei-en vruchttijd: Juni rijpe vruchten. — Vermenigvuldiging: Volgens Brandis in Voor Indië snelle groeier. Dáár eenige 6 jaar oude uit zaad gekweekte boomen 138—16 M. hoog bij ruim 35 eM. stammiddellijn. — Hout: Voor het in Voor-Indië gegroeide hout vermeldt Gamsre het volgende: „Spec. gew. 0.4 — 0.5 Spint grijs; kernhout roodachtig wit, week. Poriën groot, meestal rond, duidelijk zichtbaar op vertikale doorsnede. Structuur van het hout op dat van Cedrela gelijkend, maar alle poriën even groot en het hout zachter. Jaarringen gekenmerkt door een grooter aantal, maar niet door grootere poriën’ (Gamsre). — Gebruik: Hout: Door vele inlanders werd ons het hout van deze Melia als geschikt voor tafels en kasten en voor huisbouw, mits onder dak, geroemd; door andere als
zeer weinig duurzaam beschouwd. Gamsre acht het hout geschikt voor theekisten en beveelt de cultuur om den snellen groei aan. Schors; enz. In Z.W. Bantén de bladeren soms als medicijn. — Cultuur: Aantebe- velen op autoriteit van Gamrre. Reeds in West- Java hier en daar aan- geplant o.a. in de afdeeling Limbangan (Preanger) op 1100 M. Dáár nog goed groeiend. Schijnt veel minder gecultiveerd dan de Melia Azedarach en M. sambucina en wel uitsluitend W in Java. Voor wegenbeplanting min- der geschikt, daar zij soms lang bladerloos staat. — Inl. namen: Mindi, s. j. ml. Deze naam uitsluitend voor deze met volgende 2 Melia” geldend. Op theeplantages soms groote mindi genoem in tegenstelling met de kleine mindi waarmede dan Melia Azedarach L. bedoeld wordt. — Habitus: Door de grootere vruchten vooral van de andere op Java groeiende Melia-soorten onderscheiden. Geen andere boom op Java dan deze heeft dubbelgevinde bladeren met 25—30 mM. lange eivormige steen vruchten.
Melia composita Wip.
„foliis longe petiolatis, impari-bi-pinnatis; foliolis oppositis, petiolulatis, 1—2-jugis; pinnulis oppositis. petiolulatis, integris vel crenulatis, utringus glabris; pamiculis longe peduneulatis folia dimidia superantibus, ramosis,
apice farinoso-squamulosis; floribus breviter pedicellatis; calyce acute et
MELIACEAE. == A MErIA.
anguste 5-partito extus dense villosulo; petalis utringue dense albido-to- mentellis; tubo cylindrico extus laevi, utrinqgue dense tomentello, acute et breviter 20-denticulato, dentibus lineari-acutis; antheris glabris mucronu- latis tubi dentes suwperantibus; disco stipitiformi brevi, apice subeupulari; ovario glabro 5-loeulari; drupa ellipsoidea 30 mM. longa” (Cas. Dec.)
Deseriptio a Kina data nonnullis notis ab hac recedit dum foliola 2—5- juga, tubum stamineum 10-denticulatum, dentibus bifidis utringue sericeis; antheras pubescentes dicit.
Specimina exvaminavimus in Hort. bot. Calcutta eulta, nomine M. superba Roxs. (Wall. Cat. 1254 A.) et M. robusta Rox. missa, et specimen e Ceylon (Tuwarres Cn. 699); omnia tubum extus glabrum intus villosulum ad marginem dense tomentellum, antheras glabras ellipticas muecronatas subsessiles exsertas, tubi lacinias parvas, antheris multo breviores, filiformes, inaequales numero 20 vel pauciores eaxhibent.
Specimen autem a Masters in Assam colleetum flores multo majores, antheras basi parce pilosulas tubi lacinias 10 latas antheris multo breviores et cum üis alternantes apice brevi-inaequali-dentatas exhibent (an conspe- cifica?)
Specimina olim nomine Melia dubia a v. Muerurr e Rockinghambay missa (Herb. Bog. 14841 et 15856) vir conspecifica et potius ad M. Aze- darach vel sambuecinam referenda tubi lacindis 20 antheris longioribus üsque postpositis, lato-linearibus apice denticulatis; antheris subhirtellis.
2. Melia Azedarach, Linn. Sp. ed. ur 550; Cav. Diss. 7. t. 363; Lam. Enc. tab 352; DC. Prodr. r 621; Juss. Mem. lc. 67 tab 24 no. 4; Drscourr Flor. Ant. 1 tab 46; Bot. Mag. tab 1066 ; ScHNrrz. Icon. t. 225; Wieur. Icon. t. 160; Brepp. Fl. sylv. t. 14; Mig. FI. IL. B. 1, 2 p. 532; Ann. lo. 5 (exclus. var. f.); HrerN. in Hook. Fl. B. I. r 543; Barr. Hist. pl. v 470 (eum icone); Kurz. For. Fl. 212; BRrANDIs For. Fl. 68; Cas Dec. le. p. 451; Triven Fl. Ceylon 1 244; Kie. Flor. Mal. 2 p. 508; — M. sempervirens Sw. Prod. 67; Bot. Reg. t. 643.
„Jonge twijgen dun; eerst melig-behaard, later zwartachtig en glad. Bladeren 350—600 mM. lang oneven-dubbel-gevind; volwassen on- behaard, 4— 5-jukkig (Cas Dec.) 3-jukkig (Kine) ; vinblaadjes 5—11 (5—7 volgens Kina) aan de bovenste vinnen 3, scheef-eivormig of
Merra. — 18 — MELIACEAE.
ei-lancetvormig, toegespitst, kort-gesteeld 40—50 mM. lang; aan jonge takken grof-gezaagd, aan andere zwak gezaagd of bijna gaaf- randig; zijnerven meest tusschen de tanden eindigend. Pluimen korter dan de bladeren, onbehaard of schaars stervormigbehaard, ijl vertakt met vorksgewijs verdeelde takken. Bloemen niet dicht opeen in bijschermen 8.5 mM. lang (Kine). Kelkbladeren spits-eivor- mig of langwerpig-lancetvormig, behaard. Bloembladen van buiten aanliggend-kort-behaard; buis met 10 aan den top 3-spletige slippen, van buiten onbehaard dikwijls met franje-vormige aanhangsels, van binnen dun fijn-behaard. Helmknopjes langwerpig, puntig, onbehaard (volgens C. Derc.). Hierstok 5-hokkig; stijl aan den top gezwollen. Stempel 5-lobbig (Cas. Dro.); 10-lobbig (volgens Kina). Steenvrucht ellipsoid, glad, geelachtig 16 mM. lang; 4 — 5-hok- kig met houtigen geribden steen”
„var. y. squamulosa C. DC. Jonge deelen melig-beschubd, blaadjes meest bijna gaafrandig. Pluimen korter dan het halve blad ; bloembladen dicht-fijn behaard.”
Aanm. Beschrijving naar Cas. Dec. en Kina overgenomen; wier beschrijving hier en daar uiteenloopen.
Bij een uit Leiden gezonden exemplaar vonden wij de helmkmnopjes min of meer be- haard, de slippen der buis 10 in getal met de meeldraden afwisselend, breed Lintvormig, aan den top ongelijke 3-tandig of ook wel gespleten; de buis van buiten met franje. bij een ander ex. uit Herb Hassk. zijn daarentegen de helmknoppen onbehaard, de slippen der buis 20 in getal nogal smal en spits, twee aan twee met de helmknoppen afwisselend. Bij dit laatste exemplaar was de stempel 5 — 10-deelig.
Een specimen van ZOLLINGER (No. 166) uit Banjoewangi behoort volgens determinatie van Cas. De CANDOLLE tot deze soort nl. tot de varieteit sguamulosa. Evenwel wijken alle uit M. en O. Java afkomstige Melid's van Herb. Kps. (alleen de bloemdragende specimina lieten determinatie toe) belangrijk van deze beschrijving af en zijn door ons als var. ò. javanica K. et V. afzonderlijk beschreven. Wellicht is het deze Melia waar- van de Heer KERKHOVEN (Teysmannia 1895 p. 571) zegt, dat zij eerst „Kortelings in de Preanger ingevoerd is en dat zij voor hoogere streken minder geschikt is.”
Geogr. verspreiding: Zeer onzeker omdat de bestaande soort- beschrijvingen zeer uiteenloopen en nog slechts van weinig streken van Java herbarium met open bloemen in het Museum alhier aanwezig is. Volgens Cas. Dec, in tropische en subtropische streken der geheele wereld, veelal alleen gecultiveerd. Volgens BrANpis en GAMBLE waarschijnlijk inheemseh in den Himalaija. Van de var. squamulosa geeft Cas. Dec. Java, Zuid-Afrika en Oostelijk-Indië als groeiplaats op. MrQueL noemt voor zijn M. Azedarach, die M. sambucina Br. omvat, behalve Java nog andere eilanden van den Mal. Archipel; doch noemt den boom dáár niet in-
MELIACEAE. — 14 — MEerLIA.
heemsch. Wij vonden deze soort alleen in gecultiveerden toestand en alleen in W. Java. — Groeisnelheid: In Voor-Indië door Branprs snel genoemd en wel 3—4 jaarringen per eng. duim radius. — Bloeitijd: In de Preanger einde Sept. bloemen waarnomen. — Vermenigvuldi- ging: Volgens Branprs in Voor-Indië gemakkelijk ook door stronk uit- slag te kweeken. — Hout: Im Voor-Indië gegroeid hout heeft volgens GamsLe de volgende eigenschappen : „Spee. gew. (versch) — 0.6 ; luchtdroog 0.5. Spint geelachtig wit; kernhout zacht, rood. De buitenzijde der jaar- ringen gekenmerkt door een smalle strook kleine poriën, die onderling ver- bonden zijn door golvende concentrische banden van zacht weefsel; de binnenzijde uit een breede strook groote poriën bestaande. Mergstralen nogal breed; op een radiale doorsnede als breede platen in het oog vallend. Poriën op overlangsche doorsnede sterk in het oogvallend.” (Gamrre). — Gebruik: Hout: Volgens GAMBLE voor meubels gebezigd. Volgens Branpis loopen de gegevens over de bruikbaarheid van dit hout in Indië zeer uit een GamBLr zegt „we are inelined to think this wood better than it is supposed to be.” Branpis zegt dat het onderhevig is aan krom- trekken en scheuren. Volgens oordeel van den Heer KeRrKHOvEN is het hout van de in West-Java gecultiveerde mindi-soorten zelfs ongeschikt voor theekisten, volgens den Heer Massink zeer bruikbaar. …
Het hout laat zich goed polijsten. Sterkte-factor P. van het hout in Voor-Indië volgens SKINNER == 596” (GAMBLE). — Schors enz. „Schors voor van de wortels buitengewoon bitter en als anthelminticum gebezigd” „Bladeren en vruchtschillen als inlandsche medicijn gebezigd. Uit de vruchten wordt in Voor-Indië een (?geneeskrachtige) olie gemaakt. De zaadkernen soms voor rozekransen.’ (BRrANprs). — Cultuur: Om den snellen groei, het lichte doch bruikbare hout, den ijlen kroon aan te beve- len. Reeds in West-Java daarom en ook als sierboom door de inlanders hier en dáár in het klein aangeplant. — Dr. van Romsurcu zegt Aant. Cultuurtuin Tjikeumeuh van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg het vol- gende van deze boomsoort. (Melia Azedarach L.) „Reeds voordat aan ’s Lands Plantentuin de Cultuurtuin verbonden was, werden van deze boomsoorten zaden verstrekt. De mindi schijnt als schaduwboom voor koffietuinen geschikt te zijn, wanneer men, als de boomen jong zijn, behoor- lijk opsnoeit. In de Preanger Regentschappen vindt men Liberia-koffie- aanplantingen, die onder de schaduw van mindi uitstekend groeien. Het hout is als timmerhout zeer gezocht. De zaden worden op overdekte kweekbeddingen uitgezaaid of zaaibeddingen, en de plantjes dan later overgespeend. Indien deze 30—45 cM, hoog zijn, worden ze in vooraf gereed gemaakte plantkuilen uitgeplant, aanvankelijk op een onderlingen afstand van 4 M.; later kan men dan een deel der boomen wegkappen, als de schaduw te dicht moeht worden. Eykman vond in den bast van deze mindi een bittere zelfstandigheid. De zaden bevatten 50—60°/, van een olie, die een donkergele kleur, een scherp bitteren smaak en een onaangenamen reuk heeft.” (v. Romsuvren) Inl.naam: Mindi, s. Zie verder vorige soort. — Habitus: Als vorige soort, maar kleinere vruchten.
„Arbor; ramulis glabris (laevibus flavicanti-argillaceis), foliis modice pe- tiolatis, impari-bi-pinnatis, 4—5-jugis; foliis oppositis, longiuscule pe- tiolulatis, impari-pinnulatis, 2—5-jugis; pinnulis oppositis, petiolulatis,
Merrra. — ij MELIACEAE.
subovato-lanceolatis, basi leviter inaeqwilateralibus apice acute acuminatis, margine obtusiuscule serratis, utringue glabris ; panieulis longe peduneulatis, folia aequamntibus, glabris vel parce lepidoto-puberulis, longe-vel longiuseule- divaricato-ramosis; floribus haud densis, pedicellatis; sepalis acutis acu- tiusculisve petalisque extus adpresse puberulis; twbo eylindrico, acute sim- plieiter 20—30-laciniato vel lacinüs 10 apice 3-fidis, extus glabro saepe fimbriulato leviter eostulato, intus pilosulo; antheris glabris; ovario gla- bro subgloboso, B-loeulari. Drupa ellipsoideo-globosa, 4 sperma circ. 15 mM. longa.”
var. y squamulosa Cas. Do.
„Partibus junioribus squamulis fwrfwraceis vestitis foliolorum pinnulis plerumque subintegris; paniculis folia dimidia circiter aequantibus vel brevioribus, petalis densius puberulis” (Cas Drc.)
2a, Melia Azedarach var. ò javanica K. et V.
Hooge boom: soms H==25—50 M. bij 60—80 cM. (o.a. bij Soebah in Pékalongan), meestal slechts H— 20 M. bij D == 40, M. Stam: meestal recht en nogal hoog boven den grond met de eerste zware takken; zonder wortellijsten ; zonder gleuven. Kroon: nogal ijlen nogal hoog-aangezet ; onregelmatig. Tak ken : niets opmerkelijks. Schors: 6 mM. dik; nogal hard. Buiten nogal ruw; met talrijke diepe overlangsche barsten; donkergrauw. Zonder melksap. Bijna zonder lenticellen. Zonder bladgroen.
Knoppen en jonge deelen dik-melig-beschubd, later onbehaard ; twijgen donkerbruin, schaars met lenticellen bedekt. Bladeren langgesteeld + !/, M. lang; oneven-dubbel-gevind; aan den top enkel-gevind; 3—6-jukkig ; aan de bloeiende takken meest 3-jukkig. Vinnen 2—4-jukkig. Blaadjes tegenover-gesteld kort- of middelmatig gesteeld, ei-lancetvormig met spitsen of ronden voet en lang-spits- toegespitsten top met ondiep, (bij sommige exemplaren bijv. bij 11536 2 van Soebah zeer oppervlakkig) grof-gezaagden rand; vliezig; onbehaard (5157 3 van Noesakambangan) of aan de onder- zijde met verspreide, stervormige schubben, 60—80 mM. lang bij 30 —40 breed; steeltjes 5—10 mM. Bladspillen en steeltjes dun- kort-behaard ; zijtakken dun, herhaaldelijk vorksgewijs-bijschermachtig
MELIACEAE. 6 Merra.
vertakt. Bloemsteeltjes stervormig-beschubd, korter dan de bloemen (2—5 mM. lang). Schutblaadjes klein, lijnvormig, afvallend. Blo e- men in sicco + 7 mM. lang bij 16 mM. diam. Kelkbladen smal- eivormig, spits, dicht-stervormig-behaard. Bloembladen van buiten nogal dicht-behaard, van binnen dun-behaard. Meeldradenbuis van buiten verspreid-behaard, min of meer geribd, van binnen vooral bij den mond grof-behaard; slippen 20 schuin uitstaand, lijnvormig spits, even lang als de helmknopjes en 2 aan 2 achter deze geplaatst. Helmknopjes langwerpig, puntig, van achteren harig. Eierstok B-hokkig onbehaard, aan den voet met een korten napvormigen gegolfden schijf; stempel cylindervormig met gelobden top en een vrij breeden kleverigen ring. Vrucht bijna? bolrond of langwer- pig-elliptisch 15 mM. lang bij 12; glad; geel; dikwijls met 5 ont- wikkelde zaden.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. Determinatie onzeker. Van M, Azedarach genui- na, volgens C. DC. verschilt zij o. a. door de behaarde helmknopjes, de dichter-behaarde bloembladen en den meer regelmatig 20-slippigen buismond; van M. Candollei Juss. (auth- spec, in Herb. Bog.) bijna uitsluitend door de gesteelde behaarde, niet gaafrandige blaadjes.
Geogr. verspreiding. Buiten Java onbekend. Door ons op zeer talrijke plaatsen van M. en O. Java op 0— 900 M. zeehoogte en in West- Java bij Buitenzorg in tuinen van inlanders en Europeanen gecultiveerd aangetroffen. En dáár soms verwilderd wildgroeiend, waarschijnlijk bij Soebah in Pékalongan en op Noesa-kambangan (Banjoemas) op 0—50 M. zeehoogte. Door de onzekere determinatie de geogr. verspreiding moeilijk scherp te bepalen. — Gebruik, Inl. namen, enz. naar het schijnt niet belangrijk afwijkend van de vorige soort. Evenwel inl. naam bij Soebah en bij Tjilatjap constant Gringging, j. terwijl op eerstgenoemde plaats de naam Mindi, j. niet aan de dorpsbewoners bekend schijnt en terwijl op Noesa-kambangan de Melia composita met den naam Mindi, J-. aangeduid wordt.
In Pökalongan werd ons het hout weinig duurzaam opgegeven.
Melia Azedarach var. javanica K. et V.
Innovationes dense pulverulento-stellato-furfuraceae. Ramuli fusci, parce lenticellosi. Folia longe petiolata *|, met. longa, 3—6-juga, in ramulis florige- ris saepius 3-juga. Pinnae 2—4-jugae. Foliola breviter-vel modice petiolulata, ovato-lanceolata longe acutiuseule acuminata basi acuta vel rotundata grosse- serrata, interdum valde obiter serrata sed nunguam integra, membranacea, g'abra vel saepius subtus parce albido-lepidotula, 60—80 mM. longa 30—40 lata, petiolulis 5—10 mM. Rhaches eum petiolulis puberulae.
Paniculae longe pedunculatae parce puberulae; ramis tenuibus iteratim
Mera. — 17 — MErIACEAE.
eymoso-dichotomis. _Pedicelli stellato-lepidotuli floribus breviores (2—5 mM.) Bracteolae parvae lineares, deciduae. Flores in sicco + 1 mM. longi 1.5 mM. diam. Sepala anguste ovata acuta, dense stellato-lepidota. Petala flaccida extus dense puberula intus puberula. Tubus extus parcissime pilosulus intus villosus; laciniis 20 linearibus saepissime acutis antheras aequantibus, üüsque binis postpositis. Antherae oblongae, mucronatae, dense hirtellae. Ovarium 5-loewlare glabrum, stigma cylindrico-capitatum apice lobatum. Drupa saepius oblongo-elliptica 15 mM. longa 12 lata (interdum subglo- bosa?) laevis, flava, seminibus saepe 5 bene evolutis.
3. Melia sambucina Br. Bijdr. r p. 162; Mrg. F. IL. B. 1 2 p. 353 C. DC, Le. p. 450; — M. Azedarach 3 sambucina Miq. Ann. Lc. p. 5; — Comp. M. sempervirens Hort. Cale. in herb. Bog.
Kleine boom (H==10—12 M. bij D —= 25—30 cM.) of boomhees- ter met habitus van Melia Azedarach L.
„Knoppen en jonge twijgen dik-wit-stervormig-beschubd. Blade- ren 5—6-jukkig, aan de bloeiende takken + 200 mM. lang; vinnen 2—3-jukkig ; blaadjes gesteeld, lancetvormig, met gelijken spitsen voet, lang-spits-toegespitst, geheel onbehaard (30—70 mM. lang). Blad- spil dik-stervormig-behaard. Pluimen lang-gesteeld, half zoo lang als de bladeren, vertakt, dicht-wit-beschubd. Bloemen kort ge- steeld, witbeschubd. Bloembladen met stervormige schubben. Meel- dradenbuis van buiten onbehaard, van binnen dicht-behaard, met 20 spits-lijnvormige slippen ; helmknopjes behaard, puntig ; eierstok 5-hok- kig onbehaard; vrucht ellipsvormig 15 mM. lang 10 breed.” (C. Dec.)
Aanm. Beschrijving, behalve voor boomafmetingen, geheel naar C. Dec. overgenomen, die haar naar een exemplaar van TEYSMANN in het herb. Berol heeft genomen, en dus evenmin als wij het authenthieke heeft gezien.
Het naast schijnt ons aan deze beschrijving te beantwoorden eene Melia-soort, die in de nabijheid van Buitenzorg en in Batavia veel in tuinen gekweekt wordt dáár onder den naam Tjikra-Tjikri, ml. (? Tjikrâ-Tjikri, j. = Kakèra-Kikri,j.) veel in bouquetten gebezigd, en die zich van onze M. Azedarach var. Javanica o.a. onderscheidt door over het algemeen veel dieper gezaagde blaadjes, geringere afmetingen en doordat zij het ge- heele jaar door bloeit.
Strijdig met de beschrijving van Cas. Deo. is intusschen dat deze soort juist kleine, bijna bolvormige vruchten heeft en dat de beharing der helmknopjes geringer is dan bij de bovengenoemde en somtijds nagenoeg ontbreekt. Het schijnt geheel dezelfde soort te zijn, die als M. sempervirens uit Hort. Calcutta is gezonden.
In cultuurtuin Tjikeumeuh van ’s Lands Plantentuin staat een boom dezer soort die volgens volkomen betrouwbare mededeelingen in de laatste 15 jaren niet noemenswaardig grooter is geworden en nu bovermelde afmetingen had.
2
MEeErIACKAT. iS Merria.
Arbuscula v. frutex arborescens. Folia modice petiolata ; impari-bipin- nata; 5—6-juga; pinmis oppositis, petiolulatis, impari-pinnulatis, inferio- ribus 2—3-jugis. Foliola opposita, petiolulata ovata, lanceolata, basi aequali acuta vel rotundata, apice longiuseule et acute cuspidata, adulta utringue glabra. Rhachis dense stellato-puberula. Panieulae longe pedunculatae, folia dimidia circiter aeqguantes, ramosae, ramulis ultimis albido-squamulosis ; floribus breviter pedicellatis albido-stellato-squamulosis; calyce acute 5-sepalo ; tubo cylindrico, extus glabro, intus dense villosulo, apice acute 20-lacinulato, lacinulis Vineari-acutis; antheris hirtellis, mucronulatis; ovario 5-loculari glabro. Drupa ellipsoidea 15 mM. longa, 10 lata ; saepe 5-sperma.” (C. Dec.)
4, Melia Bogoriensis K. et V. nov. spec.
Hooge boom H==30M. bij D=65 cM. Stam: Recht; zonder wortellijsten; hoog boven den grond vorksgewijzen vertakt; zonder gleuven. Kroon; Schermvormig; nogal iijl. Schors: 8—9 mM. dik. Buiten grauw; met veel overlangsche barsten; zonder len- ticellen. Zonder melksap. Uit oude wonden is gom gevloeid.
Bladeren 4-jukkig, vinnen 2—5-jukkig; blaadjes eivormig kort- toegepitst met afgeronden, stompen of wigvormigen voet, gaafrandig of zeer oppervlakkig-gekarteld, de bovenste blaadjes oppervlakkig- gezaagd; bladsteeltjes kort (3—5 mM.). Bladspillen, bladsteeltjes, middelnerf v. onderen met witte schubben bestrooid. Aan de steriele takken alle blaadjes grof-stomp-gezaagd, de bladspil fijn-behaard. Bloemtuilen groot (£ M. lang 140 mM. breed) witachtig be- schubd. Bloemsteeltjes £—2 mM. lang. Kelkbladen wit-beschubd en fijn-behaard eivormig. Bloembladen schuin-uitstaand, lijnvormig met verbreeden spitsen top, recht, nogal stevig, aan de binnenkant hol, 10—12 mM. lang, witachtig, van buiten dicht-fijn behaard met enkele schubben, van binnen fijn-behaard. Meeldradenbuis aan den top napvormig-verwijd met breede korte hier en daar tweespletige, dikwijls onderling vergroeide ongelijk-kort-getande slippen, eerst lichtgeel met donkergelen top, daarna vuil-purper, van buiten hier en daar met franje, onbehaard, van binnen dik-behaard 10 mM. lang. Helmknopjes langwerpig (L mM. lang) geheel onbehaard, ver uitste- kend. Bierstok 5—7 meest 6-hokkig. Steen vrucht 30 mM. lang 25 breed, met 5—7-hokjes, meest 1- of 2-zadig.
Merrra. — 19 — MELIACEAR.
Aanm. Beschrijving naar 2 exemplaren uit Hort. III B 12 en één Bog. zonder tuinnommer in December 1895 bloeiend en vruchtdragend. De soort zou volgens den Catalogus uit Japara (Japan?) afkomstig zijn en heeft door een vergissing den tuinnaam M, Candollei ontvangen en is daardoor sedert een paar jaren uit ’sLands Plantentuin onder dien onjuisten naam verspreid,
Van de Melia-soorten van de recente monographie van Cas. De CANDOLLE komt deze Melia het meest overeen met M. Toosendan SreB et Zucco, een soort, waarvan omtrent de geographische verspreiding alleen bekend is: „In Japan bij Nangasaki aangeplant.”
De heer MAssINK, administrateur van den Cultuurtuin van ’sL. Pl, te Buitenzorg deelt ons over Mindi, s. ml. (Melia Azedarach L. en? ook deze soort) mede, dat het hout uitstekend is voor huisbouw en vooral voor theekisten, althans‘ van de te Buitenzorg en bij Tjibadak op perceel Soekamadjoe in de Preanger (400—500 M.) gecultiveerde boomen. Het laat zich gemakkelijk zagen en goed polijsten; is fraai gevlamd; onder dak voldoende duurzaam. Het op grootere hoogte gecultiveerde hont schijnt minder bruikbaar te zijn. — De bij de theeplanters in de Preanger als „groote Mind’ schijnt onze M. Bogoriensis en de „Kleine Mind’ echter M. Azedarach te zijn.
Folia 4-juga, pinnis 2—5-jugis; foliola ovata breviter acuminata, basi rotundata, obtusa vel cuneata, integerrima vel obsolete crenulata, summa obiter serrulata. Petioluli breves 3—5 mM. Rhaches, petioli et petioluli, foliola subtus ad costam albido-lepidotulae. Foliola in ramis sterilibus omnia grosse-obtuse-serrata, rhachis puberulus. Paniculae corymbosae + M. longi, + lati longe pedunculatae (T70—80 mM.) albido-lepidoti. Flores majusculi, albidi. Sepala ovata albido-leprosa et puberula. Petala erecto- patentia stricta, linearia, ad apicem acutam dilatata intus concava extus dense puberula intus puberula albida, 10—12 mM. longa. Tubus ostio eupulari-dilatatus, laciniis 10 brevibus hinc-inde bifidis, interdum binis connatis, inaequale (saepe 3-) denticulatis apice primo luteo, mox sordide purpurascente extus hinc-inde fimbriolatus, glaber, intus dense villosulus, 10 mM. longus. Antherae oblongae glaberrimae lacintis tubi multo lon- giores. Ovarium 5—T-loeulare (saepius 6-loc.) Drupa 30 mM. longa 25 lata, 5—T-loculare saepius 1—2-sperma.
Adn. Species in Horto Bog. culta quo a Japara (Javae regione media) (an potius Japan?) allata esse perhibetur. Sub nomine M. Candollei dís- tribuitur sed ab hac specie nec minus a M. Azedarach toto coelo diversa est. A Melia composita cui foliis et fructwum mole satis affinis, floribus maulto maioribus haud albido-viridescentibus structwra diversis recedit. Specimen tamen a Masters in Assam collectum ex herb. Calc. sub M. composita missum, nostrae species pertinere videtur. A M. Toosendan SieB. et Zuco. (auth. in herb. bog.!) foliolis modice petiolulatis obtusiuscule (haud aeutissime) acuminatis differt.
MELIACEAE. — 20 — AZADIRACHTA.
2. AZADIRACHTA, A. Juss.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 5. Bloembladen 5, veel grooter dan de kelk, vrij, in den knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden tot een buis vergroeid, welke slechts weinig korter is dan de bloem- bladen en aan den top in slippen verdeeld is, waartegenover aan den binnenkant de meeldraden geplaatst zijn. Schijf ontbrekend. Eierstok 3-hokkig, hokjes met 2 eitjes naast elkander, tegenover de bloembladen, stijl vele malen langer dan de eierstok, in een kort eylindrischen, aan den top 3-spletigen, van onderen met een ring omgeven stempel eindigend. Steenvrucht éénzadig, met eene dunne houtachtige kern. Zaad ellipsvormig, zonder kiemwit, zonder zaadrok ; zaadlobben vleezig, hartvormig aan de basis; kiemworteltje naar boven gericht, buiten de zaadlobben uitstekend, kiem onbehaard.
Boomen zonder (?) melksap, maar dikwijls gom bevattend. Blad- knoppen zonder schubben. Bladeren afwisselend, oneven enkelvoudig gevind, met bezaagde blaadjes. Bloeiwijze pluimvormig meestal okselstandig.
Een soort tot dusver bekend in den Maleischen Archipel en Engelsch Indië. A. Indica A. Juss., door Mrqver in navolging van LiNNAeus en de meeste schrijvers tot Melia L. gerekend.
Een exemplaar door TeYsManN in Siam verzameld (5930 Herb. Hort. Bog. en in ’s Lands Plantentuin (ILL H 1) gekweekt, verschilt, door de niet-axillaire, aan den voet der jonge eindtakken uit de oksels van af- vallende schubben zijdelings geplaatste pluimen, niet onaanzienlijk van de gewone; en voorts door den rechten stam en de grootere kruinhoogte.
Calyx B-sepalus. Petala 5, calycem multum superantia, libera, aesti- vatione imbricata. Stamina in tubum petalis paullo breviorem apice la- cindatwm coalita, antheris intra tubum, in ejus apice et cum laciniis oppositis sessilibus. Discus nullus. Ovarium 3-loeulare, loculis oppositipetalis, bio- vwlatis; ovulis collateralibus. Stylus ovarium multoties superans, stigmate breviter cylindrico apice 3-fido, basi annulo circumdato terminatus. Fruc- tus drupaceus, (abortu) monospermus, endocarpio sub-lignoso. Semen exal- buminosum ellipsoideum exarillosum. Cotyledones carnosae longitudinaliter sese incumbentes basi cordatae. Radicula e cotyledonibus exserta supera; plumula glabra.
Arbores non (P) laticiferae, saepe gwmmiferae. Gemmae foliaceae. Folia alterna imparipinnata, foliolis serratis. Inflorescentia paniculata saepius axvillaris. Flores hermaphroditi.
PS
ÄZADIRACHTA. — 21 — MELiACEAE.
Adn. Zn specimine a Trysm. in Siam collecta (5930 H. B.)et in Horto Bog. culta panieulae haud axillares sunt sed in basi ramulorum termi- naliwm novellorum lateraliter nascuntur. Specimen hoe vir jure a Miqwelio ad A. indicam relata.
Azadirachta indica Juss. Mém. le. p. 220 (69) tab. 2 fig. 5; Mig. F. I. B. r 2 p. 533; Supp 1 p. 502; Cas. Drc. Le. 459; TRimEN Flor. Ceyl. p. 244; Wier Ie. t. 17; — Melia Azadirachta Linn.; Do. Prod. 1 622; Cav. Diss. VII tab. 208; Mro. Ann. Lc. p. 5;— Himern in Hook. Fl. B. 1. 1. 544; Kurz For. fl. p. 212; Bepp. Sylv. madr. t. 13 — Melia indica Brand For. Fl. 67; — Rueepe Hort. Mal. 4 tab. 52.
Nogal hooge, zeer dikke boom; soms H — 20 M. bij D == 100 cM. Meestal H == 10—15 M. bij D == 60—80 cM. Stam: nogal krom en zeer kort. Laag bij den grond in zware takken verdeeld. Bijna zonder wortellijsten. Zonder gleuven. Dikwijls met knoesten. Kroon: Breed, rond; zeer dicht; zeer laag aangezet. Takken: Krom en zeer rijk vertakt. Uiterste twijgen dun: Schors: 8 mM, dik. Hard. Buiten donkergrauwbruin met talrijke diepe overlangsche barsten. Doorsnede roodbruin. Binnen bleekgeel. Zonder lenticellen. Zonder bladgroen. Met weinig gom; die evenwel door inkappen in groote hoeveelheden uit den boom te verkrijgen is.
Bladeren aan de uiteinden der twijgen bijeengezeten; nogal langgesteeld (+ 75 mM. 7—8-jukkig, met, of meestal, zonder eindblad. Blaadjes zeer kort-gesteeld, overstaande of bijna overstaande, ei-lancet- vormig, meestal sikkelvormig-gekromd, zeer ongelijkhelftig smal- en lang-geleidelijk-toegespitst, met naar voren afgerond-wigvormigen naar achteren weggesneden voet, nogal grof vrij-spits-gezaagd, (de achter- rand soms meer dan de helft gaaf) onbehaard; niet duidelijk geäderd ; bladspil met den steel + 250 mM. lang. Blaadjes 75 mM. lang 25 breed. Versche blaadjes nogal donkergroen, zwak-glimmend met talrijke + 15 witte rechtuitstaande tot in de tanden doorloopende zijaders, niet doorschijnend gestippeld. Bloempluimen axillair, korter dan de bladeren, 150—230 mM. lang, vertakt, onbehaard (bij enkele
MELIACEAE. — 22 — ÄZADIRACHTA.
exemplaren vooral aan de zijtakken dun-behaard). Bloemen naar honig riekend in talrijke gesteelde vertakte bijschermen, zeer kort-gesteeld met kleine lancetvormige schutblaadjes, wit, met geelachtige meeldradenbuis, ongeveer 5 mM. lang ; diameter der open bloemen + 10 mM. Bloemsteeltje behaard t/,—1l mM. lang.
Kelkblaadjes spits- of afgerond-eivormig ; gewimperd, bijna onbehaard. Bloembladen van buiten zeer schaars-kort-behaard, spatelvormig, uitstaand + 6 mM.lang. Slippen uitgespreid. Meeldradenbuis van
binnen fijn-ruigharig, van buiten zeer dun-behaard aan den top ge- lobd. Helmknopjes tegenover de slippen opstaande, basifix, lang- werpig met puntigen top, even uitstekend. Stuifmeel breed-elliptisch, 42 wv lang 33 breed (in water bolvormig) met 4 lengteplooien. Eierstok bolvormig onbehaard. Stijl korter dan de buis met een ring- vormige verdikking aan den top. Stempel 3-spletig, rechtopstaand, groen. Vrucht langwerpig; 20 mM. lang bij 12 breed ; geelachtig- groen; éénzadig; steenwand zeer dun-vezelig. Zaadhuid dun, glad.
Aanm. Beschrijving naar herb. Kps.
De javaansche exemplaren schijnen door meerdere beharing van bloeiwijze en bloemen van de vroeger beschrevenen af te wijken. Althans Cas. Dec. en Kurz geven op: „bloeiwijzen onbehaard en meeldradenbuis onbehaard.”
Geogr. verspreiding. Alleen in O.-Java. Dáár echter in sommige streken zeer algemeen o.a. bij dorp Mimbahan (naar dezen boom geheeten) op de grens van de districten Kapongan en Sitobondo in de res. Bösoeki op 0—50 Meter. Niet boven 300 M. waargenomen. In de zuidelijke helft van de res. Bëösoeki naar het schijnt ontbrekend. Buiten Java: In Voor- en Achter-Indië; Ceylon” (C. Drc.); zou ook veel op Sapoedi en Madoera voorkomen. Bali (Treysm.); Sumbawa (Zorr.). — Standplaats: Uitsluitend op periodiek zeer dorre. gronden, in iijl-groeiende loofver- liezende heterogene bosschen of op bijna kale rotsterreinen. — V oor- komen: Soms min of meer gezelliggroeiend; althans in den oost-moes- son in sommige streken van Noord-Bösoeki het gebied voerende over andere boomsoorten door het groot aantal individuen en doordat dàn bijna alleen deze boomsoort nog een vollen groenen bladerenkroon heeft. — Ouderdom: Naar schatting vrij aanzienlijk. — Groeisnelheid: Volgens BraNpis in Voor-Indië snelle groeier. Een door ons in Sito- bondo (laagvlakte van Bësoeki) gemeten 24 jaar oude boom had H,— 6 M. bij D.=8 cM. — Bladafval: Altijdgroen, zelfs op terreinen waar bijna alle andere boomsoorten bladerloos staan. Daarom voor reboisatie met het oog op irrigatie en voor wegenbeplanting op periodiek zeer dorre en rotsachtige terreinen waarschijnlijk uitmuntend. — Vermenig- vuldiging: Volgens BrAnpis gemakkelijk uit zaad en uit stronk- uitslag. Het gemakkelijk en langdurig vormen van stronkuitslagen
ÄZADIRACHTA. === MELIACEAE.
heeft bij Sitobondo een soort „Kopfholzbetrieb” voor brandhout doen ontstaan. — Hout:” Spint grijs; kernhout rood, zeer hard. Jaarringen twijfelachtig: het hout vertoont afwisselende banden met veel en weinig poriën; eveneens concentrische witte lijnen. Poriën middelmatig-groot, dikwijls ovaal en verdeeld; zichtbaar op vertikale doorsnede. Mergstralen fijn, talrijk, wit, in het oogvallend, naar buiten omgebogen, waar zij poriën ontmoeten; de afstand tusschen de mergstralen is minder dan de middellijn der poriën. Waarde van P — 539—720. Spec. (luchtdroog) gewicht — 0.7—0.8.” (Gausre). — Gebruik: Hout: Im Indië volgens BraNpis en GAMBLE voor wagenmakerij, scheepsbouw, landbouw werktuigen en huisraad gebezigd en dáár (mits van oude boomen) zeer duurzaam. „Gelijkt op Mahagonie-hout en laat zich goed polijsten. (BrANpis; Kurz) Ook op Java worden de eigenschappen van het hout geroemd; dáár soms ook voor huisbouw. Bij de Hindoes is het hout heilig en dient voor afgodsbeelden. Evenwel alleen in korte afmetingen te krijgen. Schors, bladeren, enz. Schors reukeloos; zeer bitter.” In sommige tijden van het jaar vloeit bij insnijding een groote hoeveelheid waterachtig sap uit den boom, dat in Voor-Indië tegen maagkwalen gedronken wordt. Uit de vruchtschillen wordt in Indië een olie verkregen, die als anthelmintieum, antiseptieum, bij de verwerij en voor lamp-olie dient. De schors dáár inwendig tegen koorts en de bladeren als pap zouden een uitmuntend middel zijn tegen sommige soorten van huiduitslag (Wart). Op Madoera zouden de bladeren (zeer bitter) in den drogen tijd als rundvee- voeder dienen. Behalve het hout is de gom, die meestal in zeer groote stukken, vooral aan beschadigde boomen gevonden wordt het belangrijkste product. Bij Sitobondo deze gom zeer algemeen als brievenlijm gebezigd. Daarvoor bijna even bruikbaar als gummi arabieum en bruikbaarder dan de meeste brieflijm-(„Schakellijm’) soorten van den handel. Exploitatie voor gebruik op Java wellicht mogelijk; voor export naar Europa volgens firma Merk & Co. Darmstadt minder geschikt. Bedoelde firma rappor- teerde over drie in 1894 door ons verzamelde en voor onderzoek op- gezonden gommonsters afkomstig uit Sitobondo het volgende: „Die 3 Proben zeigen im Allgemeinen dieselben Eigenschaften, die für den Gummi arabieum bezeichnend sind, stehen diesem aber in Bezug auf die Klebkraft nach.” Dr. var RomBurerm onderzocht van dezelfde gom eenige monsters en zegt (Januari 1894) o.a. „Zij is geheel oplosbaar in water en is evenals arabische gom linksdraaiend; zij is om te plakken uitstekend veel beter dan de gom, die men hier in Java koopt. Wellicht is de kleur voor den handel een bezwaar”. In de omstreken van Sitobondo is volgens in loco ons gedane mededeeling wellicht 25 pikol gom ’s jaars tegen f 10—f 15 inkoopprijs te krijgen. Van alle Javaansche boomen verdient oi. van deze soort de gom het meest de aandacht en verdere onderzoekingen tot export zeer gewenscht. — Cultuur: Zeer aantebevelen voor reboisatie m. h. oog op irrigatie (zie boven „bladafval”), voor wegenbeplantingen op zeer dorre terreinen beneden 300 M en ook om het hout en den gom. — Inl. naam: Mimbd, j.; Mimba, ml. en Mèmpheuh, md. in Bësoeki, vaste namen; uitsluitend voor deze boom- species geldende. In Voor-Indië heet de boom in het sanskriet Nimba. — Habitus: In den drogen tijd, vooral op de oorspronkelijke groei- plaatsen, hoogst eigenaardig (zie „bladafval”). Gekenmerkt door de enkelvoudig gevinde bladeren en de scherp gezaagde smal-sikkelvormige blaadjes. Geen andere Javaansche boom dergelijke blaadjes.
MELIACEAE. — 24 — _ AZADIRACHTA.
Arbor mediocris; circ. 10—15 M. alta, coma densa sempervirente. Folia longiuscule petiolata (+ 15 mM.) T—8-juga, cum vel saepius absque im- pari. Foliola brevissime petiolulata; opposita vel subopposita; ovato-lan- ceolata, saepius falcata valde inaequilatera, apice anguste-longe-acuminata, basi antice rotundato-cuneata, postice resecta, grosse subacute serrata, postice deorsum subintegra glabra, inconspicue venosa. Rhachis cum pet. + 250 mM. longa. Foliola 75 mM. longa et 25 lata. Foliola in vivo saturate viridia, subnitida, nervis primariis + 15 albidis patentibus, haud pellucido-punctata. Paniculae axillares, foliis breviores 150—230 mM. longae ramosae glabrae vel nonnunquum, imprimis ad ramulos, puberulae. Flores mellem odorantes, cymas compositas pedunculatas efformantes, brevissime pedicellati, bracteolis parvis lanceolatis, albi; tubo flavescente, + 5 mM. longi, aperti 10 mM. diam. Pedicelli puberi 0.5—1 mM. longi. Sepala acute- vel rotundato- ovata, ciliolata, subglabra. Petala extus parce puberula, spathulata, pa- tentia + 6 mM. longa. Tubus extus parce puberulus intus hirtellus, apice lobatus, lobis patentibus; antherae lobis oppositae, erectae, basifirae apice exsertae oblongae apiculatae. Pollen elliptico-globosum (aquae inmersum globosum) 42 long. 33 latum plicis longitudinalibus 4. Ovarium glo- bosum glabrum. Stylus tubo brevior apice annulato-incrassatum; stigma 3-fidum erectum, viride. Drupa oblonga 20 mM. longa et 12 lata, fla- vescenti-viridis; endocarpium tenuissime fibrosum, testa tenuis, laevis.
Adn. Specimina nostra javanica a deseriptione speciei apud Cas. Dec. et Kurz paniculis et tubo stamineo puberis recedere videntur.
3. SANDORICUM, Car.
Bloemen tweeslachtig. Kelk napvormig, met 5 korte lobben, in den knop dakpanswijze dekkend; basis van de buis met den eierstok vergroeid. Bloembladen 5, vrij, in den knop dakpanswijze dekkend, uitgespreid of teruggeslagen. Meeldradenbuis langwerpig, bijna even lang als de bloembladen, aan den top getand; helmknoppen 10 of 8, binnen de buis. Schijf buisvormig, den eierstok en de basis van de stijl om- sluitend, in slippen verdeeld. Eierstok 5-hokkig, van onderen met den kelk vergroeid, van boven in den stijl uitloopende; hokjes tegenover de kelklobben, elk met 2 hangende eitjes, naast elkander geplaatst ; stijl eylindrisch of zuilvormig, bijna even lang als de meeldradenbuis, van boven iets knodsvormig dikkerwordend. „Stempel eylindervor-
=D MELIACEAE.
mig tot op de helft 5-spletig, zeldzaam gaaf (bij ééne soort, S. radia- tum volgens Kine); met opstaande, met de toppen naar binnen gebo- gen lobben; aan den voet ringvormig aangezwollen (teekening bij C. Drc. onjuist) geheel papilleus, geel. Vrucht vleezig, bovenstan- dig, bolvormig; 3—5-hokkig; elk hokje met Lt (hoogst zelden 2) zaden; binnenwand van elk hokje uit twee lagen vezels bestaande (horizontale en overlangsche) een dunne steenkern vormend, die meest 1 (zeldzaam 2) zaad bevat. Zaad met leerachtige, gladde, bij jonge zaden soms eenigszins vleezige zaadhuid; geheel zonder zaadrok ; met lijnvormigen navel aan den bovenrand. Zaadlobben naast elkaar ; meelig; pluimpje aan den top ingesloten, onbehaard; worteltje dik, afgeknot, even buiten de zaadlobben uitstekend.
Boomen; melksaphoudend. Bladeren 3-tallig, lederachtig, levend met doorschijnende streepjes. Blaadjes gaafrandig, de zijdelingsche kort-, de eindelingsche langgesteeld. Bloemen geel of witachtig of roze, in okselstandige pluimen.
Aanm. De beschrijving van het geslacht bij MrqueL Ann. l.c. is geheel juist BENTHAM en Hooker geven daarentegen, zoowel van den stempel als van de vrucht, een verkeerde beschrijving; Bij Cas. Dec. is de beschrijving zoo mogelijk nog slechter; in zijne figuur Tab. 6 fig. 11 zijn de helmknopjes vóór de tanden der buis geplaatst afschoon bij MriqveL het tegendeel uitdrukkelijk vermeld wordt. De bol- vormige verdikking van den stempel bestaat niet; er is slechts een smalle ring; dit is echter bij gedroogd materiaal minder duidelijk door dat de stijl dan belangrijk dunner wordt en de grens tusschen stijl en stempel minder duidelijk. Ook Hrern, Kurz, BoERLAGE en zelfs Kina hebben de onjuiste opvatting van BENTHAM en HOOKER gehuldigd en den vezeligen steenwand, die in de rijpe vruchten met de binnenste lagen van het vruchtvleesch in samenhang blijft voor een zaadrok aangezien, die van binnen perka- mentachtig en van buiten pulpeus zou zijn. KING spreekt zelfs van een van buiten vezeligen van binnen pulpeuzen zaadrok. Toch is de werkelijke verhouding zelfs bij gedroogd materiaal volkomen duidelijk; er is noch bij de jonge noch bij de volwassen zaden eenig spoor van een zaadrok aanwezig, tenzij men het buitenste integument, dat in het jonge zaad nogal vleezig is, maar later geheel met het binnenste samensmelt zaadrok zou willen noemen.
Mrqver onderscheidde voor Java twee soorten:
1. S. indicum en
2. S. nervosum,
welke laatste door hem volgens het auth specimen van BrLume terecht voor identiek met S. glaberrimum van HAsskARL wordt gehouden.
Cas. Dec. trekt deze laatste soort bij S. indicum, en noemt daarentegen als tweede soort voor Java S. borneënse Mrq. naar exemplaren van pe VRIESE in Herb. Kew. In- derdaad komt S. glaberrinnum Hassk. in veel opzichten met S, borneënse overeen, echter 0.1. niet voldoende om ze te vereenigen.
In ’s Lands Plantentuin wordt als S. nervosum een boom gekweekt, die door de bladeren nagenoeg geheel met S. indicum overeenkomt, daareentegen door de weinig behaarde, duidelijk gesteelde bloemen met S. glaberrimum.
MELIACEAE. — 26 —
Wildgroeiend komen op Java de beide volgende soorten voor: 1. Blaadjes elliptisch, weinig-nervig; bladstelen onbehaard, bloem-
steeltjes lang; schutblaadjes zeer klein; kelk en bloembladen zeer schaars-
behaard... elejelejnjensjareiefelsje ers osenefed (oinieten ie mteren stele eten etaratetelete vere tela tele Zie ORTON DOSUTGS 2. Blaadjes breed-eivormig; bladstelen behaard, bloemsteeltjes zeer
kort; schutblaadjes lang, evenals de kelk fluweelachtig-behaard. Bloem-
bladen aanliggend-behaard............ eeainiseesemieses wesersee wee Ter Ne UNAICUM.
Calya cupularis, tubo ovarii basi adnato, limbo breviter 5-lobo imbricato. Petala 5, libera, oblonga; obtusa, aestivatione imbricata demum patentia. Tubus stamineus cylindricus, apice 10-dentatus; antherae 10, inclusae. Discus tubulosus, 5-dentatus, ovarium et basin styli vaginans. Ovarium basi calyci immersum, 5-loculare, in stylum columnarem attenua- tum; stylus superne clavatus, stigmate crasso cylindrico, usque medium 5-fido, lobis erectis, apicibus recurvis, basi in annulum incrassato toto pa- pilloso; ovula in loeulis 2, prope apicem loeuli collateraliter pendula. Drupa 1—5-pyrena, supera, globosa, carnosa, 3—5-loeularis; loeulis 1- (raro 2-) spermis; endocarpio (pyrena) pergamaceo vel fibroso-lignoso, singula (vel in loeulis bispermis bina) semina includente; „sub germinatione valvatim dehiscente” (fide RoxBuren). Semina ezrarillata; testa nitida coriacea (vel etiam spongiosa?); cotyledones amygdalinae, collaterales; ra- dicula supera subexserta; plumula glabra.
Arbores glabrae v. pubescenti-tomentosae succo lacteo. Folia 3-foliolata ; foliolis amplis nervosis. Paniculae axillares. Flores inter minores, flavi, vel albido-rosacei, sparsi v. glomerati, bracteati. Fructus pomiformis, aci- dus, edulis.
Adn. Descriptio fructus optima apud MrqvrL auctoribus sequentibus omnibus (Bertu. et Hooker, Cas. Drc., Hrern, Boervace, Kurz, ef ipso Kine) üfauste neglecta est, qui omnes endocarpium fibrosum vel per- gamaceum (pyrenam) semina singula ineludens pro arillum habuerunt. Tamen si fructum juniorem et fere maturum integrum, vel in spiritu vind conservatum examines res luce clarior est. Arilli nullum invenitur ves- tigium nisi integumentum externum in seminibus novellis valde incrassatum, demum cum interiore concrescens et coriaceum, arillum nuneupare velis. Endocarpium pergamaceum vel lignoso-fibrosum loculos intus vestiens jam in fructibus valde juvenilibus facile distinguendum, structura simplicissima, e stratis duobus fibrarum compositum quarum internae longitudinales, exterio- res transverse dispositae; externis in mesocarpii parenchyma eradiantibus. Mesocarpii partes interiores cum dissepimentis in fructibus maturis pul- posae fiunt et pyrenis undique adhaerent.
NN MELIACEAE.
1. Sandorieum indicum. Cav. Diss. 4 p. 359 tab. 202, 203; Br! Bijdr. 1. p. 163; Mrq. Fl. Ind. bat. 1. 2p. 541; Ann. Lc. p. 32; Hrern. in Hook. Fl. B. IL. IL. 533; Roxs. Cor. t. 261; Lam. Eneyel tab. 350; C. Dero. le. p. 461. tab. 6. fig. 11, male depicta; Kurz. For. Fl. p. 217; Kine. Fl. mal. II 511; — Rumra. Herb. Amb. 1. 168.
Hooge dikke boom: H=—= 25 — 30 M. bij D = 70—90 cM. ; meestal slechts H—=20 M. bij D= 50 eM. Stam: Soms zuilvormig en de onderste zware takken eerst 10 M. of meer boven den grond ; zonder wortellijsten, bijna zonder gleuven. Kroon: Meestal nogal dicht. Schors: 4 mM. dik (bij 30 eM. stamdiam.). Bros. Buiten grauw ; met fijne barsten. Doorsnede donkerrood. Binnen vuil wit. Zonder melksap (maar met melksap in de jonge vruchten). Met lenticellen. Bijna reukeloos. Bitter en wrang smakend.
Jonge twijgen, bladspillen, enz. fluweelachtig behaard. Bla- deren lang gesteeld. Blaadjes, behalve het eindblad, zeer kort- gesteeld; breed-, soms cirkel-eivormig of langwerpig-eivormig met scheef afgeronden bij het bladsteeltje wigvormig-versmalden voet en kort-of vrij lang toegepitst; het eindblad grooter, dikwijls met wigvormigen voet; leerachtig, volwassen van boven onbehaard van onderen langs de nerven meer of minder behaard met talrijke 12—18 van onderen sterk uitspringende zijnerven. Bladsteel rolrond, meer of minder dik donzig behaard, eindelijk bijna kaal 65—185 lang; eindblaadjes 170—220 bij 100—120; steel van het eindblad 530—65 mM.; der zijblaadjes 1—4 mM. Levende bladeren van boven don- kergroen glimmend, van onderen bleekgroen, jonge blaadjes geheel glimmend roodbruin. Bloempluimen kort- of matig-gesteeld axillair, kort-behaard, korter dan de bladeren (160—260 mM. lang); zijtakken ver uiteenstaand, dun hoekig; secundaire zijtakken gesteeld of ongesteeld tuilvormig Bloemen lichtgeel (volgens de schrijvers), zeer kort gesteeld (steeltjes 0—2 mM.) aan de einden der zijtakjes, in gedrongen vertakte bijschermen met een of twee schutblaadjes iets korter dan de kelk en een lang lijn langwerpig schutblad (+ 4 mM. lang) met afgeronden top aan den voet der steeltjes. Kelk napvormig met 5 korte, afgeronde tanden,
MELIACEAE. == WJ ==
+ 3 mM. lang, fluweelachtig behaard ; bloembladen dun-zijdeachtig- behaard (levend + 10 mM. lang). Meeldradenbuis van buiten onbehaard, van binnen witachtig-ruig-behaard; ongeveer 7 mM. lang met 10 diep-gespleten, spitse, met de helmknopjes afwisselende tanden; helmknopjes 10 aan de rugzijde onder het midden ingeplant juist op den rand van de buis, 3/, mM. lang. Stuifmeel nage- noeg bolvormig + 30 w diam. (droog iets langer dan breed) met 3 poriën. Schijf dun-vliezig; onregelmatig-gekarteld + 15 mM. lang; onbehaard. Eierstok eylindrisch onbehaard 5-hokkig. Stijl vleezig, rolrond, bijna even lang als de buis. Stempel 5-deelig met een dikken ring aan den voet. Vrucht bolvormig, fluweelachtig behaard 50—60 mM. diam. ; van buiten vuil geel; bij de wildgroeiende evemplaren meest door mislukking twee-steenig. Steen langwerpig of iets obovaat, zijdelings afgeplat, van boven schuin afgeknot, aan de buikzijde recht, aan de rugzijde convex naar beneden puntig; met stevig-hout-leerachtigen wand. Zaad gelijkvormig aan den steen, van boven aan de rugzijde scherp gekield aan den voet zeer puntig met duane, leerachtige in sicco broze zaadhuid; glanzig bruin. Kiem zie geslachtsbeschrij ving.
Aanm. Beschrijving uitsluitend naar uit het wild verzamelde bloeiende en vruchtdra- gende exemplaren van Herb. Kps., uit West- Midden- en Oost-Java en overal zeer weinig varieerend.
Bij de exemplaren uit Soebah zijn de bladstelen meest korter en dichter behaard en de zijnerven minder dicht opeengeplaatst dan bij die uit Oost-Java.
Geogr. verspreiding en standplaats: Geheel Java 0—1000 M. Zoowel op den G. Poelasari in Bantèën als op het Rahoen-ldjèn-gebergte door ons nog op 1000 M. zeehoogte in hoogstammig heterogeen altijdgroen bosch gevonden. Niet algemeen wild. Gecultiveerd in de meeste grootere dorpen. Buiten Java: „Achter-Indië, Malakka, Maleische Archipel” (Hoo- KER) „In Voor- Indië ingevoerd” (Gamsre) — Voorkomen: Verstrooid tusschen talrijke andere boomsoorten. — Bladafval: Altijdgroen. — Bloei- en vruchttijd: Bloemen en vruchten bij Pantjoer in Nov. In andere streken ook in andere maanden bloemen of vruchten gevonden Gebruik: Hout: Veel voor planken en ruw huisraad gebezigd: slechts weinig duurzaam geacht. Volgens Rumeurys bij gebruik onder dak en mits het hout van wildgroeiende boomen afkomstig duurzaam. R. geeft van het hout de volgende beschrijving: „Versch gekapt spint witachtig en kern- hout rood, naar het hart toe donkerder wordende; grof; moeilijk glad te schaven; aangenaam aromatisch riekende; na lang gedroogd te zijn soms een olieachtige stof uitscheidende.” Schors, enz. De binnenste vleezige laag van de middenvruchtwand rijp rauw gegeten om aangenaam rinschen
et ON MELIACEAE.
smaak; ook van de wildgroeiende boomen. De vruchten van deze laatsten klein met weinig „vruchtmoes”, R. vermeldt geneeskundig gebruik van wortel, bladeren en schors voor Java; zulks ons nog niet bekend. — Hout (techn. eigensch.) van Burma afkomstig: „Spec. gew. =0.4. Spint grijs; kernhout rood, nogal hard, nogal fijn (?), laat zich goed polijsten. Poriön klein, ovaal en verdeeld. Mergstralen smal, golvend, niet in het oog val- lend; op radiale (overlangsche) doorsnede lange smalle banden, welke aan het hout een fraai gevlekt uiterlijk geven.” (Gamsre). Blijkens deze beschrijvingen het hout van Burma fijner dan van Amboina. — Cultuur: Aantebevelen om vruchten en hout; waarschijnlijk ook in reboisatie m. h. oog op ivrigatie geschikt. Reeds zeer algemeen door inlanders in dorpen geplant.— Inl. namen: Sentoel, j.s. in M. en O. Java en soms ook in W. Java; dáár bijna altijd Ketjapi, s. en de wildgroeiende boomen Ketjapi- monjet, s. De naam Sentoel j. uitsluitend en de andere namen bijna uitsluitend voor deze soort (en de volgende soort? of varieteit, gebezigd. In Oost-Java ook Sentol, md. Voor Singapore door Hooker ook de namen Sentoel en ketjapi vermeld. Rumrpmrus vermeldt de inl. namen voor andere streken in den Mal. Archipel. — Habitus: Door het relatief gering aan- tal ongedoornde hooge Javaansche boomen met drietallige groote blaadjes en groote eetbare besachtige steenvruchten (jong melksaphoudend) niet moeilijk in het bosch te herkennen. Evenwel op het terrein van de vol- gende soort bezwaarlijk te onderscheiden.
Arbor 25-—30 M. alta. Ramuli juniores, cum petiolis et inflorescentiis velutind. Folia longe petiolata (65—185 mM.) foliolis (terminali longe pe- tiolulato (30—65 mM.) evcepto) brevissime petiolwlata (1—4 mM.) lato nunc suborbiculari-ovata vel ovato-oblonga, basi rotundata, ima basi cuneata, apice apiculata vel acuminata; coriacea supra glabra; subtus ad nervos pubera; nervis lateralibus nwmerosis (12—20) subtus valde prominentibus. Petiolus teres magis minusve dense pubescens demum fere glabrescens. Fo- liola 170 —220 mM. longa et 100—125 lata. Folia novella in vivo fulva. Pamnieculae awvillares breviter vel modice peduneulatae, pubescentes, foliis breviores (160—260 mM. longae), ramis gracilibus angulatis distantibus secundariis corymboso-densifloris _pedunculatis. Flores flavescenti-albidi, brevissime pedicellati (pedic. O—2 mM.) bracteis linearibus apice rotun- datis velutinis pedicellis multo longioribus (+ 4 mM.) suffulti, bracteo- lisque 1—2 calyce vir brevioribus muniti. Calyx cupuliformis, lobis 5 brevissimis rotundatis; + 3 mM. longus, velutinus. Petala linearia extus sericea patentia —- 10 mM. longa. Tubus extus glaber intus hirsutulus tE 7 mM. longus, apiee 10-dentatus dentibus acute bifidis; antherae dor- so prope basin affivae margini insertae, twbi dentibus alternae, túsque aequi- longae (*|, mM.). Pollen subglobosum +- 30 pw. diam.; poris 3. Discus membranaceus inaequali-denticulatus + 1.5 mM. longus, glaber. Ovarii pars Wbera subeonieo-eylindrica, glabra teres crassus, stigma 5-fidum, basi annulatwm. Drupa globosa vel subpyriformis, striatula, velutina
MELIACEAE. == 0Û) —
50—60 mM. diam.; in arboribus spontane crescentibus saepissime abortu bipyrena rarius 1-pyrena. Pyrena subobovato-oblonga lateraliter com- pressa, apice obligue truncata, ventre plana, dorso convera, basi acuta; lignoso-coriacea. Semen pyrenae conforme (haud ut dicit Roxruren re- niforme) dorso superne carinatum et basi acute apiculatum testa coriacea, (in sicco laxa fragilis) castanea.
Adn. Descriptio e speciminibus numerosis in Javae sylvis spontane crescentibus; drupa dipyrena, endocarpio sublignoso duriusculo, (haud chartaceo) a speciminibus in India cultis (fide descriptionum diversarum) recedentibus.
2. Sandoricum nervosum Bl! Bijdr. p. 163; Mrq. Ann. 32; FL 1. B. 1. 2 p. 541; — S. glaberrimum HasskK! Retzia 1. p. 145; — 8. borneënse C. Deo. (DE VRIESE in Herb. Kew.), non Mrquer ? — Cfr. S. Maingaiji HierN. (in Hook. Fl. B. L 1. 554).
Hooge boom. Stam, kroon, enz. als S. indicum CAV.
Bladeren en twijgen geheel onbehaard, jonge blaadjes zeer schaars, kort-behaard. Blaadjes elliptisch met spitsen of stompen voet en toegespitsten top; zijblaadjes duidelijk gesteeld (5 —10 mM.); met 6—10 (zelden 12) wan onderen witspringende zijnerven, 100— 180 mM. lang bij 45 takken, kort uiterste twijgen armbloemig. bloemen dikwijls in 1 — 3-
90. Bloempluimen nagenoeg onbehaard, zij-
bloemige bijschermen langgesteeld (steeltjes weinig korter dan de bloemen), schutblad veel korter dan de steeltjes, schutblaadjes ontbre- kend of zeer klein. Kelk stomp 5-tandig schaars kort behaard; bloembladen bijna onbehaard. Vrucht (bij het authenthiek levend exemplaar in Hort. bog.) geheel onbehaard 1 —5-steenig ; kleiner dan bij S. indicum). Zaad langwerpig elliptisch, rug en voet niet gekield.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. Authenthiek exemplaar van S. glaberrimum Massk. levend in den Hortus Bogor. (II B. 53).
Deze soort misschien een bergvariëteit van de vorige soort. Bij een als S. nervosum in den Hort. Bog. gekweekt exemplaar (III B. 56) zijn de bladeren nagenoeg gelijk aan die van S. indicum, eivormig-elliptisch en het eindblad breed eivormig met + 15 aders, de bloeiwijzen sterk vertakt; daarentegen evenals bij de wildgroeiende boomen de bloemen matig-gesteeld en weinig behaard, en het zaad niet gekield. Ook bij een exemplaar uit de laagvlakte van Bantén (Herb. Kps. 5167 9) zijn de blaadjes breeder en méérnervig dan in de bergexemplaren.
Door HreRN is in de Flora van Hooker deze soort met de vorige vereenigd.
— 31 — MeLIACEAE. Geogr. verspreiding, Inl. namen, enz. als S. indicum Cav.
Arbor alta Ramuli eum foliis adultis glaberrima, juniores parcissime pu- beri. Foliola lateralia modice petiolulata (5—10 mM.) omnia elliptica, basi acuta vel angustata, rarius obtusa, apice longiuseule acuminata; 100—180 mM. longa 45—90 lata. Paniculae glabrae, ramulis breribus, ultimis paucifloris. Flores saepius 1—3-cymosi modice vel longiusculepedicellati (pedicellis floribus dimidio brevioribus vel aeqwilongis) bractea lineari ipsis multo breviore suffulta, bracteolis minutis vel nullis. Calyx obtusiuscule D-dentatus parce puberulus; petala subglabra. Drupa (arboris authen- thieae S. glaberrimi Hassk.) pyriformis, quamilla S. indiei minor, glaberrima, verruculosa 5-pyrena; semen oblongo-ellipticum, dorso haud carinatum.
Adn. Species montana ab S. indieo multis notis recedens et ad S. Maingayi Hiern ef S. borneënse Mrq. accedens sed forsitan potius pro varietatem guam pro specie habenda. Arbor in Horto Bog. culta nomine S. glaberri- mum Hassk. Owae arbor ibidem nomine S. nervoso colitur foliolis magis ovatis, plurinerviis, habitu S. indici, fere intermediam formam sistit.
4. DYSOXYLON 51.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 4—5-spletig,‚-tandig of- deelig of min of meer gaafrandig; in den knop dakpanswijze-dekkend of urnvormig met klepswijze aaneensluitende tanden of slippen; afvallend. Bloem- bladen 4—5, langwerpig, uitgespreid; in den knop klepswijze aan- eensluitend of licht-dakpanswijze-dekkend ; van onderen aan de meel- dradenbuis verbonden of vrij. Meeldradenbuis cylindrisch, met getanden of gekartelden rand; helmknoppen kort, 6,8 of 10, binnen de buis of half daarboven uitstekend. Schijf buis- of napvormig even lang of langer dan de eierstok met een gekartelden of gaven rand. Eierstok meestal 3—4-hokkig; stijl bijna even lang als de meel- dradenbuis; eitjes meestal 2 in elk hokje, en dan boven of naast elkaar geplaatst, zeldzaam één. Doosvrucht bol- of peervormig, lederachtig, (soms zeer dik) 1—4-hokkig, meest hokverdeelend. Zaden meest met een weeken, aan de zaadstreng verbonden gedeeltelijken zaadrok, zelden zonder, en dan met vleezig verdikte zaadhuid (D. ezcelsum en D. alliaceum); zonder kiemwit; zaadlobben dik, boven, naast of achter
MELIACEAE, — 32 —
elkaar geplaatst; pluimpje meestal ruigharig; kiemworteltje naakt of behaard tusschen de zaadlobben besloten, naar de buikzijde of naar den top gekeerd (nooit naar de rugzijde).
Boomen, meestal onbehaard, melksaphoudend. Bladeren afwis- selend, zelden tegenovergesteld, gevind; blaadjes lederachtig, gaaf- randig, geheel of nagenoeg tegenover elkander of afwisselend, meer of min puntig aan den top en schuin aan de basis. Bloemen in
pluimen.
Aantal soorten volgens Cas. pr CANDOLLE 85; eenige weinige in de Philippijnsche eilanden, een dertigtal in Australië, vooral in Nieuw- Caledonië, ongeveer 37 in den Maleischen Archipel en de overige in Voor- en Achter-Indië, waarvan er 6 van Malakka bekend waren, welk getal door Kiva tot 20 vermeerderd is.
MrgveL beschrijft in de Fl. IL. B, gedeeltelijk onder de later in getrokken geslachtsnamen Hartighsea, Didymochiton, Kpicharis en Goniochiton de volgende soorten als op Java voorkomend:
1. Dysorylon alliaceum Br.
2. D. acuminatissimum Br.
3. D. longifolium Br.
4. D. simile Br.
5. D. laviflorum Br.
6. D. macrocarpum Br.
7. D. (Hartighsea) excelsa A. Juss.
8. D. (Hartighsea) mollissima A. Juss.
9. D. (Epicharis) cauliflora Br.
10. D. (Epicharis) sericea Br.
11. D. (Epicharis) densiflora Br.
12. D. (Epicharis) altissima Br.
13. D. (Didymocheton) nutans Br.
14. D. (Didymocheton) Leschenaultianum A. Juss. D
15. „ (Goniocheton) arborescens Br,
In zijne Monographie der Meliaceae in Ann. Mus. L. B. IV heeft hij dit aantal tot 9 ingekrompen, door de vereeniging van D. acuminatissimum, longifolium en laviflorum met D. alliaceum; van Epicharis sericea met D. cauliflora tot Dysoxylum ramiflorum MrQueu (welke soortnaam den voorrang had boven D. cauliflora) omdat de soort het eerst als Azedarach ramiflorum door Noronma (Verh. Bat. Gen. V no. 87) was beschreven en van M, altissima met D. densiflorum; eindelijk wordt daarin van D. Leschenaultianum geen melding meer gemaakt.
Als nieuw worden er verder bijgevoegd:
10. D. trichostylum Mra.
11. D. otophorum Mia.
12. D. fraternum Mia.
13. D. Blumei Mig.
Cas. pr C. voegt hierbij nog de volgende soorten door pe Vriese, LoBB en NacreL verzameld en in de herbaria van Kew, en Berlijn door hem
onderzocht
ne MELIACEAE.
14. D. glabrum Cas. Drc.
15. D. Lobbi Cas. Drc.
16. D. procerum HrernN, var. integrum Cas. Dec. 17. D. Halmaheirae Cas. Drc.
IS. D. Vriescamum Cas. Drc.
19. D. Nagelianum Cas. Drc.
20. D. Teysmannii Cas. Drc.
21. D. amooroides MQ.
Na onderzoek van het rijke materiaal in Herb. Kps. aanwezig, en van origineele exemplaren van bijna alle door MrqurL beschreven vormen (1) hebben wij gemeend deze 21 soorten tot 15 te moeten reduceeren, daar eenige der als soorten beschreven vormen ons door overgangsvormen met andere bleken verbonden te zijn. Op dezen grond hebben wij vereenigd :
D. trichostylum met D. densiflorum Mia.
D. otophorum met D. amooroides Mira.
D. Lobbii met D. Blumei Mra.
D. procerum var. integrum met D. excelsuum Mrq.
D. Halmaheirae met D. arborescens Mrq.
D. Teysmannii met D. mollissimum Mrq.
Als voor Java nieuwe soort voegen wij hierbij nog 16 D. caulostachiyum Mro. tot dusver alleen voor Nieuw-Guinea bekend en waarvan de bladeren door Mrquer misschien bij D. ramiflorum besehreven zijn, waarmede deze soort zeer na verwant is; eindelijk hebben wij een door Mrquer, als varieteit bij D. excelsum beschreven vorm, als soort afgescheiden (17, D. Hasseltii).
Een drietal door Cas. Dec. beschreven soorten, waarvan ons het origineel niet toegankelijk was; is het ons niet gelukt in Herb. Kps. van Java aan te treffen; van deze hebben wij de beschrij ving overgenomen. Voorts zijn in Herb. Kps. nog eenige naar het schijnt zeer zeldzame soorten, waarvan bloemen tot dusver ontbreken en waarvan wij de beschrijving derhalve tot een volgende bijdrage opschorten. Wij voegen hier voorts weder bij de naar Jussieu overgenomen beschrijving van Dysorylon (Didymocheton) Leschenaultii, daar deze soort, indien zij op Java voorkomt, uit deze beschrijving zeer goed te herkennen is en noch Mrqueù noch Cas. De CaNporre eenige reden opgeven waarom zij de soort niet hebben opgenomen.
Een geheel twijfelachtige soort, die noch door Cas. Drc. noeh door MrQurL vermeld is Didymocheton? littoralis Hassrr. (Adn. de plant. quib. jav. ete. in Tijdschrift voor Nat. Gesch. en Phys. Dl. X 1843), een in Bantën in de kustwouden groeiende halfheester.
Calyx cupularis, (rarissime expansus D. alliaceum var. ; D. arboreseens) 4 5-dentatus vel in sectione Didymocheton 4—5-sepalus, sepalis imbricatis. \/ 1 ‚ Sef
Petala 4—5; in aestivatione valvata vel apice leviter imbricata, Libera vel
(1) Voor een groot deel welwillend door den Adj. Directeur van ’s Rijks Herbarium
te Leiden Dr. J. G. BorrLAGE aan ons toegezonden.
9
MELIACKAE. ==
inferne cum _tubo stamineo connata. Stamina in tubum petalis paullo breviorem, lacinulatum vel subintegrum, intus sub apice B—10-antheriferum, coalita; antheris glabris. Discus tubulosus, liber. Ovarium Liberum 4—5 raro S-loeulare rarissime 2-loeulare, superne in stylum eo multo longiorem attenuatum. Stigma discoideum, supra plerumgque 4—5-sulcatum. _Ovarii loeuli 1—2-ovulati ovulis superpositis (in D. arborescenti ef D. Blumei
collateralibus). _Fructus capsularis, 5—4 raro 3-valvis, loeulicide dehiscens
immaturus saepe lactescens, loculis 1—2-spermis. Semina saepissime arillo carnoso partiali facile solvendo vestita, rarius (in D. exeelso ef D. alliaceo) exarillata sive arillo completo adnato auctorum: testa incrassata) induta. Cotyledones erassae, plumula saepe hirsuta inter cotyledones inclusa vel subineclusa, radieula glabra vel hirsuta supera vel ventrali.
Arbores laticiferae. Folia alterna vel rarissime opposita (in specciebus nonnulis anstraliensibus) impari vel pari-pinnata ; (1) foliola integerrima ra- rissime pellucido-punctata. _Inflorescentia avillaris, paniculata, panicula saepe simplici, (id est brevissime ramosa vel rarius spiciformi) in non- nulis speciebus e ramis vetustioribus vel e trunco nascens.
In India Orientali, Peninsula Birmanica, Sumatra, Java, Philippinis, Australia, Nova-Caledonia, Nova-Zelandia (ubi solum D. spectabile) et in Polynesia usque ad insulas Samoa, Tutuila, Tonga, Tabu.
A. Soorten met getanden kelk (subgenus Budysoxylon) (species 1—15). a. Blouiwijzenaan stam of aan dikke takken (spec. 1—3).
«. aan stam en oude takken; stijl onbehaard.
aa. Trossen recht; veelbloemig.
1. Dysoxylam caulostachyum, Mrq. Ann l. ce. 12; Cas. DC. l.e. 499.
Hooge boom H.=—=33 M. bij 50 eM. Zou worden H.—=40 M., bij D.=—=150 eM. Stam: Recht; nogal rolrond; zonder wortel- lijsten; soms met talrijke knoesten, waaruit bloeiwijzen te vooeschijn komen; soms op ongeveer 10 M. boven den grond in talrijke recht- en schuin-opwaarts gerichte takken verdeeld. Deze meestal weinig vertakt en aan de uiteinden de lange gevinde bladeren dragende, die te zamen een nogal iijlen, onregelmatigen kroon vormen. Schors: 4—5 mM. dik (bij 50 eM. stammiddellijn). Bros. Bui- ten grauw; met overlangsche barsten; nogal glad. Doorsnede wit met oranje spikkels. Zonder melksap. (met melksap in jonge twij-
(1) Folia in plantis valde juvenilibus simplicia.
Es een MeLrACKAR.
gen. Bijna zonder bladgroen. Bijna reukeloos. Zeer weinig bitter smakend.
Twijgen rolrond, nogal dik, nogal glad, met lentieellen ; aan de uiteinden de soms Meterlange bladeren dragend. Bladeren onpa- rig-gevind, aan den top dikwijls lang aangroeiend, 5 —i2-jukkig. Bladspil en bladsteel rolronds aan den voet weinig aangezwollen, met lenticellen bedekt, fluweelachtig-behaard of later geheel onbe- haard; 350 mM. tot één Meter lang. Blaadjes overstaand zeer kort (L—3 mM.) gesteeld, langwerpig of elliptisch-langwerpig, van onderen dikwijls ongelijkeijdig (voorste helft bijna dubbel zoo breed) met nagenoeg gelijken afgeronden of bijna hartvormigen voet, stomp toegespitst (170 —280—340 mM. lang bij 55 —70 —90); de onderste veel kleiner (60 bij 35) elliptisch kort spits toegespitst; het eind- blad obovaat of obovaat-lancetvormig, somtijds vrij lang gesteeld ; alle vliezig of dun leerachtig, van onderen langs de nerven behaard, even als de bladsteeltjes; soms geheel onbehaard (Herb. « Kps. 5968 6); zijnerven 16 —24 paar, uitstaand, boogvormig in elkaar uitloopend. Blaadjes levend lichtgroen doorschijnend, dichtdoor- schijnend gestippeld. Bloemtrossen wit oudere takken, zelden uit de eenjarige twijgen, meestal niet uit den stam (bij de exemplaren van één standplaats bijna alle uit den stam en niet uit de takken), alleen of in bundels, enkelvoudig recht, lang, rijkbloemig, kort-fluweelachtig-behaard, 80—230 mM. lang. Bloemen gesteeld (steeltjes 5—12 mM.) met zeer klein schutblad aan den voet 15 —18 mM. lang; lichtgeel, geurig. Knoppen bolvormig fluweel- achtig. Kelk klokbuisvormig, in 3 --5 ongelijke lobben splijtend, S mM. lang; dikbehaard, na den bloei aan den voet kringvormig loslatend. Bloembladen 4, lijnvormig, 16 mM. lang bij 4 breed, kort-luweelachtig-behaard, van binnen onbehaard, geheel vrij, aan den voet met den meeldradenbuis verbonden en na den bloei met deze en den schijf tegelijk met de kelk afvallend (evenals bij D. ramiflorum en D.densiflorum) Meeldradenbuis van buiten zeer dun behaard of onbehaard, wan binnen onbehaard, S—10-lobbig met lijn- vormige (l—2 mM. lange) uitgerande of gespleten uitstaande lobben; helmknopjes elliptisch, ingesloten; stuifmeel bolvormig (52—42 w) met 3—4 verdikte plekken met langwerpige poriën, zonder duidelijke
MeELIACEAE. — 36 —
plooien, schijf kort-buisvormig, iets langer dan de eierstok (!/, van den stamper) 16-kartelig, met 4 grootere en 12 kortere tandjes, van buiten onbehaard, van binnen met naar beneden gerichte haren, Eierstok aanliggend-behaard, stijl tot aan het midden wijduitstaand- behaard, daarboven plotseling kaal; 2 eitjes boven elkaar in elk hokje Doosvruchten bolvormig, van omderen afgerond, gesteeld, 25—40 mM. lang van buiten roodbruin eenigszins schurftig-kurkachtig on- behaard; van binnen sneeuwwit, niet melksaphoudend, 1 —4-hokkig ; hokjes éénzadig. Zaden afgeplat ellipsvormig, met een dunne donkerbruine glanzige zaadhuid langs de buikzijde en aan den voet met een rooden vleezigen kapvormigen zaadrok, die daar sterk ver- dikt is en ook het niet ontwikkelde tweede zaad geheel of gedeelte- lijk insluit. Zaadlobben achter elkaar geplaatst (door een tangentiaal vlak gescheiden) nagenoeg gelijk; aan den top tot op een } inge- sneden, van buiten purperachtig-groen, van binnen vuilviolet; worteltje naar boven gericht rolrond, hoekig, vooral aan de hoeken behaard,
pluimpje geheel behaard.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. en een levend exemplaar in den Hort. Bog. UI B. 61. De beschrijving van Stam t/m Schors voornamelijk naar 5942 #.
Hoewel wij het origineel exemplaar van JD. caulostachyum van Nieuw-Guinca niet kennen, is er toch naar de beschrijving bij MrqueL geen twijfel aan, dat de hier beschreven exemplaren tot deze soort behooren. MrqueL kende geen bloeiende exemplaren dezer soort uit Java; hoewel de door hem onder D. vramiflorum opgegeven naam Lolowan, j. (bij vergissing Solowan) een naam, die in Oost-Java voor D. caulostachyum vast is, aan- duidt dat hij niet bloeiende exemplaren dezer soort bij D ramiflorum heeft gebracht.
Het door ReEiINwARDT in Malang (Pasoeroean) verzamelde exemplaar met de van onderen sterk-donzig-behaarde bladeren behoort misschien tot deze soort.
Behalve door de zeer in ’t oog springend verschillende bloeiwijze en eenige verschillen in de beharing van kelk en schijf is het moeilijk de beide soorten scherp uiteen te houden, hoewel de uiterste vormen der bladeren (bij D. Caulostachyum met zeer korte bladsteel en hartvormigen voet) en bij D. ramiflorum met aan eene zijde ssherp weggesneden voet en langeren bladsteel) nogal verschillen. Ook heeft D. ramiflorum meestal veel grooter vruchten. à
Over ’t algemeen zijn de beide soorten door de standplaats scherp gescheiden, daar D, ramiflorwm alleen in de tweede hoogte gordel en in Herb. Kps. nog niet in Oost-Java is aangetroffen. Alleen in Pringâmbä zijn beide soorten ongeveer op dezelfde standplaats verzameld,
Zeer verwant met deze en met de volgende soort is ook D. canliflorum Wiern uit Malacca, en naar de bladeren (spec. uit Herb. Calcutta!) niet van D. caulostachyum Mig. te onderscheiden. Verschillen zijn o.a. de zeer korte bloemstelen; de (volgens KixG) weinig behaarde bloembladen en van binnen zijdeachtig-behaarde meeldradenbuis en de van onderen versmalde vruchten.
De mogelijkheid, dat D. caulostachyum MiQq. niet soortelijk verschillend is van D- ramiflorum Mrq. schijnt ons niet uitgesloten. Wij hebben 2 uiterste vormen beschreven:
MELIACKAE.
Eigenaardig hierbij is, dat een der door ons als D. caulostachyum gedetermineerde exem- plaren (Herb. Kops. 14591 8) niet caulifloor maar ramifloor is.
Geogr. verspreiding. Geheel Java0—1100M. Vooral in Oost- Java op 0—500 M.; dáár in vele streken, o. a. in afd. Banjoewangi vrij algemeen. Hoogste vindplaats: bij Pantjoer in Bësoeki op 1100 M. Weste- lijkste aan ons bekende groeiplaats: op 100 M. bij Pasanggr. Tjömara in afd. Tjiringin (Bantën). Buiten Java: Tot dusver alleen van Nieuw Guinea bekend. — Standplaats: Bij voorkeur op contstant vochtigen vruchtbaren grond in altijdgroen heterogeen hoogstammig oerwoud. Op periodiek drogen grond in loofverliezend bosch alleen van één standplaats aan ons bekend nl. bij Këdoengdjati (Smarang) op 150 M. Dáár wel zeld- zaam echter eenige exemplaren bijeenstaande.— Voorkomen: Meestal eenige boomen in de nabijheid van elkander groeiende echter nooit gezel- lig. — Bloei- en vruchttijd: Op de meeste ons bekende vindplaatsen Juni — Nov. met bloemen en jonge vruchten en in Dee. met rijpe vruch- ten. — Gebruik: Hout: Mededeelingen van inlanders hierover uiteen- loopende, echter nergens hooggeschat. In Banjoewangi voor tijdelijken huis- en bruggenbouw; zou dáár ongeveer half zoo duurzaam zijn als D. densiflorum Mrgq. (Zie inl. namen hieronder) en in wêer en wind onge- veer 4—5 jaar uithouden. In laagvlakte van Pékalongan en Bantén en in hooge bergstreken van Bësoeki (o.a. bij Pantjoer) hout onbruikbaar geacht wegens te geringe duurzaamheid, Hout geheel vuil-wit; zonder kernhout. Schors enz: niet door de inlanders gebezigd. — Cultuur: Niet aan te bevelen; tenzij in tuinen om den soms zonderlingen habitus (typisch stambloemige exemplaren). — Inl. namen: In Banjoewangi en bij Poegër in Bësoeki constant met uitsluiting van alle andere boomsoorten Lolohan, j. geheeten. Aldus ook bij Klangoen boven Saradan op den G. Pandan in Madioen. Bij Tjilatjap soms Langsep-alas j., soms Krami- nan, j, soms Tjompagan, j., en soms zonder inl. naam. Bij Pringombo in Banjoemas soms Tjempagan, j. soms Langsep- re, j. of Langsep-were, j., De beide laatste namen ook voor Pékalongan bij Soebah. Dáár soms alleen Were, j. en soms Welahan, j. Bij Këédoengdjati in Stmarang soms abusievelijk voor Kedojo, j. gehouden, aan de meeste inlanders bij name geheel onbekend. Im afd. Tjaringin bij Tjémara (Bantën) constant aan- geduid met Mangir, s. welke naam in Oost- en Midden-Java, zoo goed als uitsluitend aan Ganophyllum falcatum Br. beantwoordt. Van al deze namen bijka alleen Lolohan, j. van waarde. Bij Pantjoer in Bösoeki onder zeer localen naam Kapotren, md. bekend. Bij Palaboeanratoe in Z. Preanger onder zeer onvaste namen bekend; dáár soms ? Kokosan- leuweung, s. en soms Tanglar, s, — Habitus. In bloei- en vruchttijd meest- al (vergelijk de Aajm. hierboven) hoogst eigenaardig. Van af den grond zijn de stam met de dikkere takken dan bedekt met talrijke, meestal 2—6 in groepen bijeenzittende trossen van zeer sterk-welriekende geelwitte bloemen en kersgroote, roodbruine vruchten, welke bloem- en vrucht- groepen slechts eenige deeimeters op knoesten van elkander zitten. Bij exemplaren, die alleen de bloeiwijzen aan de dikkere takken, doch niet aan den stam dragen is het onderscheid met de volgende soort (D. rami- florum Mira.) zeer gering en ook met D. densiflorum Mra. gering zie hier- onder). Deze soort is de eenige stambloemige soort de Meliaceae op Java en o. m. door de gevinde bladeren en het melksap in jonge twijgen van vele andere cauliflore javaansche boomen te onderscheiden.
MELIACEAE. — 38 —
Arbor alta. Ramuli teretes, laeviuseuli lenticellosi. Folia impari-pinnata, apice saepe tardius evoluta, 5—1l2-juga; rhachi cum petiolo tereti basi parwum inerassato, lenticellato, wvelutino vel demum glabrescente 350 mM. usque metrum longa. _Foliola opposita brevissime-(1—3 mM.) petiolulata, oblonga vel elliptico-oblonga, aeqwilatera vel deorsum inaequilatera (parte laminae antica quam postica saepe duplo latiore) basi aequali vel sub-aequali-
rotundata vel subeordata, apice obtuse acuminata (170—280 mM. longaet
55-710 lata); usque 340 longa et 90 lata, inferiora multo minora 60 longa et 35 lata, elliptica, apiewlata; terminale lanceolatum vel obovatum 240— 400 mM. longum interdum longe petiolulatum (petiolulis 18—35 mM.), omnia membranacea vel tenuiter coriacca subtus ad nervos cum petiolulis pubera vel rarius glabra (spee. e_Nusa-Kambangan Herb. Kps. 5968 (3); nervis utringue 16—24 patulis, areuato-confluentibus, tertiariis inconspicuis. Foliola in vivo dilute viridia, pellucida, dense pellueido-punetulata (cellulis secretortis parvis 30—80 z diametri in diachymatis stratis superioribus sub staurenchymate). Racemi e ramis annosioribus, rarius e ramulis; trunco saepius sterilis; in singulae stationis speciminibus e trunco et ramis ve- tustioribus oriundi, ramis extremis sterilibus (692a); singuli et fasciculati; 80—230 mM. longi; simplices stricti velutino-puberuli. Flores pedicellati (pedic. 5—12 mM.) basi minute bracteati, articulatione nulla, 15—18 mM. longi pallide-flaveseentes suaveolentes. Alabastra globosa dense velutina. Calyr_campanulatus, in lobos 3—5 inaequales corollae eruptione ineunte rumpens, 8 mM. longus, dense velutinus, anthesi peracta circumscisse cadens. Petala 4, linearia, 16 mM. longa et 4 lata, breviter velutina, intus glabra; libera, ima basi cum tubo stamineo connata et anthesi peracta cum illo tubulogue et calyce decidua. Tubus stamineus extus parcissime pilosus vel utringue glaber 8—10-lobulatus, lobulis 1—2 mM. longis, emarginatis vel bifidulis, patulis; antherae ellipticae inelusae; pollen globosum 32—42 u, areis inerassatis 3—4, poris oblongis, plicis inconspicuis. Discus breviter tubulosus ovarium (pistilli *|, partem) vir superans ore 16-crenulato, crenis 4 brevioribus cum 12 ternatis longioribus alternantibus, extus glaberrimus intus retrorsum pilosus. _Ovarium appresse hirsutum; stylus ad medium usque patentissime hirtus, dein abrupte glaberrimus; ovula in loculis super posita. _Capsulae globosae, basi rotundatae, longiuseule pedicellatae, cerasi minoris mole; 1—4-loeulares, glabrae, extus aurantiacae, leprosulo-suberosae, pericarpio intus niveo viv lactifluo elsi cellulis seeretoriis farcto. Semina in loeulis singula, dimidiato-ellipsoidea; testa tenui, fusca, nitida ventre arillo partial a vertice (wbi micropylem obtegit) ad basin pertenso, basi valde incrassato et semen alterum effoetum amplectente, ceuecullato, angulo
Ne MELIACKAE.
loeuli interno adnato, rubro, vestita; cotyledones postpositae (plano, quoad capswlae circwitwum tangentiali separatae) apice ad 5 longitudinis incisac eztus purpuraceo-virides, intus dilute violaceae; radieula supera angulato- tereti, ad angulos pilosa; plumula hirsuta supra medium inclusa.
Aae bb. Zossen twilvormig; armbloemig. 2. Dysoxylum ramiflorum Mrq. Ann. Le. 10; Cas DC. Lc.
Hooge boom: H==24—27 M. bij D=60—75 eM. Stam: Nogal recht; met ondiepe gleuven; bijna zonder wortellijsten ; met weinig knoesten. Niet hoog boven grond meestal in talrijke dikke, nogalkromme en weinig verdeelde takken gesplitst. Uiterste twijgen nogal dik en aan de uiteinden de Meter lange gevinde stijfuitstaande bladeren. Schors: 6—8 mM. dik. Brosen week. Buiten grauw, met overlangsche barsten. Doorsnede vuil geel- achtig. Binnen vuil-wit en oranje gestreept. Met weinig lenti- cellen. Zonder melksap. Met weinig bladgroen. Met eigenaardig aromatischen reuk (niet naar uien). Smaak zeer weinig bitter-scherp.
Bladeren onevengevind, met laat ontwikkelden top, 6—15-jukkig ; spil en bladsteel rolrond, aan den voet weinig aangezwollen, bij de jonge bladeren behaard; 0.3 —1!/, M. lang. Blaadjes overstaand, kort gesteeld 4—10 mM., smal langwerpig met toegespitsten top, met smallen ongelijken voet, van voren afgerond of stomp, van achteren weggesneden spits, 110— 220 mM. lang bij 35—42 breed. Findblaadjes omgekeerd-ei-lancetvormig met versmalden voet, langer (25 mM.) gesteeld, meest kleiner dan de overige ; onderste blaadjes ook kleiner ; alle vliezig, van boven onbehaard, van onderen vooral langs de ner- ven behaard; zijnerven 20—24 paar. Trossen twilwormig, weinig- bloemig (1—10-); aan vingerdikke takken uit de oksels der afgeval- len biaderen, zeldzamer aan oudere takken (bij een exemplaar in Hort. Bog. dat hiertoe schijnt te behooren ook aan den stam) tot kleine bundels vereenigd; kort (2—25 mM.) gesteeld; bloemstelen, dun dikwijls langer dan de hoofdsteel, dun behaard of kaal (10—20 mM. lang). Bloemen melkwit, welriekend + 18 mM. lang on-
MELIACEAE. — AOS
geveer gelijk aan D. caulostachyum. Kelk dungrof behaard of bijna kaal. Bloembladen fluweelachtig. Meeldradenbuis van buiten be- neden dun-aanliggend-behaard, van binnen onbehaard, met 8, (lL—1.5 mM. lange) gespleten lobben. Schijf van buiten geheel onbehaard van binnen soms met eenige haartjes, aan den rand 4—16-kartelig. Eierstok 4-hokkig, met boven elkaar geplaatste eitjes; behaard - evenals de voet van den stijl, deze van boven plotseling naakt. Doosvruehten in bundels van 1—3 lang-gesteeld, korstig, van buiten oranjerood, grooter dan bij D. caulostachyum 30 —60 mM. diam. en veel langer gesteeld. Zaden 20—40 mM. lang. Overigens alles als bij de vorige. Bij een groote vrucht (Herb. Kps. 11010 2); zaad 40 mM. lang bij 22 breed; worteltje met het pluimpje 11 mM. geheel dik behaard, behalve den worteltop.
Aarm. Beschrijving naar talrijke specimina van HerB. Kps.; die van Stam t/m Schors vooral naar Kps. 12062 . Deze soort zeer verwant met de vorige (zie Aanm. op vorige bladzijde).
Geogr. verspreiding: Aan ons alleen van W.- en M.-Java be- kend; en bijna uitsluitend boven 900 M. zeehoogte o. a. op 1000 M. bij Takoka in de Preanger, bij Pringombo (Banjoemas), op den G. Oengaran, en zelfs nog op 1350 M. zeehoogte o. a. op den Slamat boven Simpar in Tögal en op 1450 M. bij Tjibodas ('s Lands Plantentuin) in de Prean- ger. In de laagvlakte alleen op Noesa Kambangan (Banjoemas). Bui- ten Java: miet bekend. Voorkomen, Gebruik, enz. als D. caulo- stachyium Mig. — Inl. namen: Bij Takoka (Preanger) meestal Tanglar, s., soms abusievelijk Pingkoe, s. Bij Pringombo en bij Tjilatjap dezelfde als vorige soort. Bij Tjibodas ('s Lands Plantentuin) in de Preanger Ma- rangnginang, s. Deze namen alle niet alleen voor deze soort geldend. Habitus: Zeer gelijkend op vorige soort, maar bijna nooit stambloemig en naar het schijnt de dikke takken meer kronkelend en niet meestal schuin- of rechtsopwaarts.
Arbor alta. Folia ümpari-pinnata, apice tardius evoluta 6—15-juga; rhachi eum _petiolo basi parwnm inerassato, tereti, juvenili pubero, mor glabrescente, lignoso dense lenticellato 300 —600 mM. longa. _Foliola oppo- sita breviter (d—10 mM.) petiolulata, anguste oblonga, apice acuminata, deorsum saepe attenuata, basi inaeguali, antice rotundata, postice resecta, acuta, circ. U70—220 mM. longa et 35—42 lata, terminalia obovato-lan- ceolata, basì attenuata, longius petiolulata (25 mM.) ceteris minora, infima guogue minora, omnia membranacea; supra glabra, subtus ad nervos cum petiolulis pubera; nervis utringue 20—24. Racemi corymbosi panciflori (L—10 flor ad ramulos digitum crassis, saepe ex axvillis defoliatis, rarius
== 4 MELIACEAE.
ad ramos vetustiores pauci-fasciculati, peduneulo brevi (2—25 mM.) gracilt, pedicellis gracilibus peduneulo saepius longioribus, glabrescentibus vel parce pilosulis 10—20 mM. longis. Flores fere precedentis, lactei suaveolentes, 18 mM. longi. Calyv parce appresse puberus. Petala dense velutina. Tubus extus deorsum parce appresse pilosulus intus glaber lobis 8 (1—1.5 mM. longis) bifidulis; antherae et pollen precedentis speciei. Discus tubu- losus extus glaberrimus intus glaber vel subglaber, ore 4—16-crenulatus. Ovarium A-loeulare, ovulis superpositis; cum styli basi hirsutum; stylus supra medium abrupte glaberrimus; stigma discoideum. Capsulae 1—3 fasciculatae, longe peduneulatae; leproso- aurantiacae, globosae, is prece- dentis speeiei similes sed majores; 30—60 mM. diametri. Semina 20—40
mM. longa, fere preeedentis sed radicula eum plumula tota hirtella.
B. Bloeiwijzen aan dunne en dikke takken; stijl behaard.
3. Dysoxylum densiflorum Mrg.! Ann. le. 9; CDC. Lc. 499; Kine! Le. 46; — Epicharis densiflora Bu. Bijdr. 167; — Epicharis altissima Bu! le. 167; Miq. FL B. 12. 539; — „Guarca densiflord et G. altissimac variet. SpreNa. Syst. rv 2. p. 251” (fide Mrquer) — Dysoeybum trichostylwum Mrg.! Ann. Le. 11 (exclusa var. glabra?)
Hooge boom: H == 30—40 M. bij 100—120cM. Stam: Mees- tal zuilvormig en zich eerst hoog boven den grond in eenige dikke, min of meer kromme, nogal rijkverdeelde takken splitsend. Met kleine worltellijsten. Kroon: Meestal klein, nogal iijl en hoog aangezet; zeer eigenaardig door de kransgewijze aan de dikke twijg- uiteinden stijf uitstaande nogal korte gevinde bladeren. Schors: 8 mM. dik. (bij 110 eM. stamdiameter). Bros. Buiten grauw en nogal ruw. Doorsnede? bruin. Binnen vuil wit. Zonder lenticellen ; zonder bladgroen; zonder melksap. Reuk aromatisch.
Uiterste twijgen nogal dik. Bladeren onevengevind (bij uitzonde- ring door verlies van het eindblad evengevind) 5—8- (bij var. minor meest 4—6) jukkig; in knop geheel, later langs bladsteel, spil, bladsteeltjes en bladnerven van onderen, kort of soms vrij lang behaard; zelden geheel onbehaard (worm glabra der variëteit minor). Bladspil rolrond; steel van boven afgeplat en eenigszins uitgehold met scherpen rand, bij de aanhechting aan den tak gezwollen.
MELIACEAE. 4D
Blaadjes afwisselend, zelden overstaand, ook die van het bovenste paar meest iets van elkaar verwijderd; breed-langwerpig, vrij lang toegespitst, met scheven breed-afgeronden bijna afgeknotten voet, die aan de voorzijde veel breeder is dan aan de achterzijde, bij de va- riëteit meest aan de achterzijde spits voor een deel als weggesneden ; zeer kort-gesteeld (bij de variëteit iets langer); het bovenste paar- en het eindblad meer versmald aan den voet; het laatste omgekeerd- eivormig met spitsen voet en iets langeren bladsteel; alle bladeren nogal leerachtig, donkergroen, met talrijke (l14—18) rechte stevige zijnerven; netvormig geaderd; levend fijn-doorschijnend-gestippeld; in sicco de oudere bladeren meest ondoorschijnend donker-olijfgroen. Bloemtrossen in de bladoksels der ontbladerde twijgen, aarvor- mig, slank, t/,—1 decimeter lang, geheel dicht behaard, alleen of in veelbloemige bundels, rijkbloemig. Bloemen nogal klein (6 —10 mM.) wit, onaangenaam riekend, bijna zittend of kort-gesteeld bij (var. minor duidelijk gesteeld); met breede eironde, kielvormig uitgeholde spitse schutbladen aan den voet. Kelk wig-napvormig, tot op de helft 3 —4-lobbig-ingesneden, grof-aanliggend-behaard (*/, van de bloem lang). Jonge knoppen bolvormig. Kroonbladen van buiten dun- aanliggend-behaard, in knop met de randen iets over elkaar; aan den voet met de meeldradenbuis verbonden en in de vruchtbare bloemen met deze en de schijf en met den rondom loslatenden kelk afvallend. Meeldradenbuis 8 —10-slippig met korte diep-spits- uitgerande slippen; van buiten met verspreide aanliggende haren of bijna onbehaard; van binnen lang-losbehaard. Helmknopjes klein, ingesloten, elliptisch, soms zonder stuifmeel. Stuifmeel bolvormig klein 22—32 met 4 plooien met elliptische poriën. Schijf kort buisvormig met zeer oppervlakkig 4—10 karteligen mond, van buiten onbehaard, van binnen met enkele naar beneden gerichte haren, ongeveer !/, zoo lang als de stamper. Eierstok klein, 4-hokkig, met 1 eitje in elk hokje (altijd?); grof-dicht-behaard; stijl geheel behaard. Doosvruchten elliptisch of omgekeerd ei-vormig met vrij spitsen of ingezonken top met stijlrudiment; aan den voet stomp of afgerond, niet tot een steeltje versmald; geel- of grijs-kort-viltig- behaard, soms met wratten bedekt; 40 —30 mM. lang ; 4-kleppig open- springend met vleezig-houtige kleppen; vooral bij jonge vruchten de
— 43 — MELIACEAE.
vruchtwand rijk aan kleverig wit melksap. Zaden in den vorm van een bolsector, aan de rugzijde met een kastanjebruine, dunne broze zaadhuid aan de geheele buikzijde met een zeer dikke vleezige met de zaadhuid vergroeide roode zaadrok bekleed, die aan den voet een 6 mM. dikke kap vormt. Zaadlobben naast elkaar, soms door een schuin vlak gescheiden op f/, boven het midden aan het plantje bevestigd; worteltje klein, onbehaard naar boven gekeerd; pluimpje zeer weinig ontwikkeld.
Geogr. verspreiding: Geheel Java op 0—1100 M. zeehoogte. De typische vorm alleen in Oost-Java; de exemplaren van M.- en W.- Java min of meer overgangsvormen tot de var. minor. In enkele streken nogal algemeen o.a. vruchtbare laagvlakte van Rogodjampi (Banjoewangi). Meestal nogal zeldzaam Im enkele streken zeer zeldzaam geworden, doordat het hout zeer gezocht is. Door ons nog gevonden bij Palaboean ratoe in Z. Preanger op 100 M., bij Soebah in Pëökalongan op 10 M. zeehoogte, bij Pringàmbà en op G Kapal (== G. Djaran) in Banjoemas op 1000 M., bij Pantjoer in afd. Sitobondo op 1000 M. en bij Takoka op 1000 M. en op Noesakambangan. — Buiten Java: „Malakka”’ (Krac). Sumatra (Mrqver). — Standplaats: Hoogstammig soortenrijk altijd- groen oerwoud op constant vochtigen vruchtbaren grond. Niet in loof- verliezende bosschen gevonden. — Voorkomen: Nooit gezellig. — Ouderdom: Aanzienlijk. — Bladafval: Altijdgroen. — Bloei- en vruchttijd: Door ons bloemen gevonden in zeer verschillende maanden, maar vooral bloemen in Oet. en Nov. Rijpe vruchten o, a. verzameld in Oet, echter niet tegelijk met bloemen aan denzelfden boom. In bloei- tijd zijn de vinger- en armdikke takken soms zóó dicht met de witte bloemtrossen bedekt, dat zij er geheel wit uitzien. De groeiplaats in het boseh wordt dan verraden door den sterken zoeten niet zeer aange- namen bloemgeur en talloze op den grond liggende afgevallen witte bloemen. Nogal rijkvruchtdragend. — Gebruik: Hout: Algemeen hoog- geschat om fraai uiterlijk, groote duurzaamheid en sterkte; voor meubels, huis- en bruggenbouw gezocht. Balken van 15 M. en meer lengte bij 30 eM. en meer middellijn niet moeilijk (evenwel slechts in kleine hoe- veelheden) te krijgen; het minst bezwaarlijk wellicht in distr. Rägadjampi. In afd. Banjoewangi bij gebruik als brugstijlen mintens 10 jaar bruik- baar geacht. In het Museum Hort. Bogor bevinden zich thans een paar houtmonsters (Kops. 22208 3) door T OrtoLaANper ingezameld van boom- stammen, die vóór 10 jaar (1885) geveld zijn en hoewel al dien tijd aan wêer en wind blootgesteld, er nog gaaf uitzien. Alleen van buiten heeft het hout eenigszins geleden en natuurlijk is het spint geheel verdwe- nen. Schors, enz.: Aan ons geen gebruik bekend. Smaak der bladeren wrang en van de schors eenigszins? bitter. — Hout (techn. eig): Spint. wit. Kernhout zeer breed; vuil bleekeitroengeel, fijndradig, reukeloos. Cultuur: Om het duurzame hout zeer aantebevelen. Waarschijnlijk bruikbaar in reboisaties m. h. oog op irrigatie in lagere bergstreken van geheel Java. — Inl. namen: In afd. Banjoewangi constant met uitsluiting van alle andere boomsoorten Tjömpdgd, j. (Niet te verwarren
MELIACEAE. — 44 —
met Tjömpâkà, j. welke naam voor eenige Magnoliaceae geldt). In Pöka- longan bij Soebah Tjepâgd, j. Bij Pantjoer (afd. Sitobondo) en bij Sim- polan-Tjoramanis (afd. Djömbör) in Bèësoeki eonstant Kheuroeh, md. Deze naam niet te verwarren met Garoe, j. Aldus heet veelal een soort van Aguilaria. Bij Takòka in de Preanger meestal Pingkoe,s geheeten. Bij Pringämbäà (Banjoemas) bij name meestal ombekend; dáár soms met den zeer localen onzekeren naam ? Woeroe-tjelirang, j. Op Noesa-kam- bangan ook weinig bekend, Bawangan, j. geheeten en met andere Dysory- lum-soorten verward. Bij Sëémpolan (Bösoeki) wel eens dmpeuloeh, md. genaamd. Van deze namen Tjömpägd, j. het meest constant. Bij Soerdjà in Pëökalongan soms Kraminan, j. geheeten. — Habitus: In bloeitijd typisch (zie boven). In blad niet in het oogvallend.
Aanm. Beschrijving naar talrijke exemplaren van Herb. Kps. vergeleken met origineel exemplaar van Epicharis altissima BLumre uit Herb. Lugd. Bat.
Van D. trichostylhum MrQ. konden wij slechts een enkel blad uit Herb. Lugd. Bat, vergelijken, dat oppervlakkig nogal van de eigenlijke D. deusiflorvm schijnt te verschillen; bij vergelijking van dit exemplaar met een bloemdragend van Herb. Kps. (4969 3) bleken de bloemen alleen door de geringere grootte, langere bloemsteeltjes en iets kleinere schutbladen van D. densiflorum te verschillen. Ook in de besehrijving bij MrqveL wordt geen enkel ander verschil genoemd, en daar juist de lengte der bloemsteeltjes bij verschillende exemplaren van D. densiflorum zeer varieert, gelooven wij, dat er geen voldoende gronden zijn deze soorten gescheiden te houden. De beschrijving door CDC. van D. trichostylum gegeven naar een authentiek exemplaar in het Herbarium van Utrecht verschilt niet onbelangrijk, zoowel van de beschrijving bij MrqveL als van die van onze exemplaren; volgens hem toch zijn de kroonbladen onbehaard, is de schijf van buiten en van binnen behaard en zijn de bladeren onbehaard.
Er schijnt dus in het Herbarium van Mrquer nog een andere soort onder de D. trichostylum verborgen te zijn (misschien Epicharis glabra Bu. Herb., Mrq. l.e. 7).
De exemplaren uit Engelsch-Indië schijnen volgens de beschrijving van KinG af te wijken door de onbehaarde meeldradenbuis en vooral doordat de vrucht naar onderen in in een steeltje (»pseudo-stalk”) moet uitloopen, hetgeen bij de Javaansche exemplaren nooit het geval is, hier is het litteeken van de afgevallen kelk altijd onmiddellijk onder de vrucht; die hoogstens eenigszins toegespitst is.
De variëteit Sumatrana Mrq. schijnt ons niet in eenig belangrijk punt van het type af te wijken; hier zijn overigens de bloemen duidelijk gesteeld en de schutbladen klein.
var. minor K. et V.; Dysorylum trichostylum Mia. Ann. Le. 11 Bladeren meest 4—6-jukkig; meer of minder lang-behaard, „in som- mige exemplaren onbehaard” (Mrgver 1 e.); in ’t algemeen kleiner, dan bij het type, maar aan den zelfden boom varieerend; bladspil 170 — 400 mM. lang. Blaadjes meest kleiner, dunner, dikwijls smaller en verder uiteengeplaatst dan bij het type, met smalleren, echter zeer ongelijken naar voren afgeronden voet, in sieeo meer vliezig doorschijnend en met zeer fijne dicht op één geplaatste doorschijnende stippels, lichter van kleur; somtijds met een geringer aantal zijnerven (10-14) Sehutbladen klein (1 mM.) van denzelfden vorm als in het type, maar dikwijls smaller en langer toegespitst; Bloemen kleiner (7 mM.); bloembladen voor- namelijk aan den top behaard, naar onderen slechts weinig behaard. Schijf zeer zwak-onregelmatig-gekarteld. Doosvruchten elliptisch, dicht geelachtig, kort-viltig. Overigens alles als bij het type.
Geogr. verspreiding: Door ons alleen op de volgende plaatsen gevonden: In Bantön op den G. Karang en den G. Poelasari bij Tji-
— bj — MELIACEAE.
manoek op 1000 M.; in de Preanger bij Takoka op 1000 M.; op den G. Djaran (—=G. Kapal) in afd. Bandjernëgara op 1000 M. Nergens al- gemeen. Door Brume nog op den G. Salak gevonden.— Standplaats Bladafval, Ouderdom: Als D. densiflorum Mia. Buiten Java: Niet bekend. — Gebruik: Algemeen hooggeschat voor meubel- en bouw- hout; vooral in de Preanger. Schors enz.: niet gebezigd.— Cultuur: Aantebevelen als D. densiflorum Mig — Inl. namen: Bij Takoka in de Preanger meestal Pingkoe, s. genoemd.; door sommige inlanders dààr Maranginang, s. en ? Pisitan-monjèt, s. of evenals in Bantún bij Tjimanoek Kapinango, s. Im afd. Bandjarnëgara constant (?) Welahan, j— Habi- tus: Als voorgaande soort; maar o. a. in blad eenigszins afwijkend.
Arbor 35—40 M. alta. Ramuli cortiee rugulosa nigrescente, crassiusculi. Folia imparipinnata, rarissime abortu paripinnata, juvenilia cum innova- tionibus pubescentia vel: villosa, 5—B-juga, 300—540 mM. longa, rhachi cum petiolo basi parum inerassato, complanato leviter sulcato, acutangulo, pubera. Foliola alterna, rarius opposita vel subopposita, summa magis approvimata rarissime stricte opposita; 3 terminalia obovato-lanceolata, basi magis attenuata aequalis cetera lato-oblonga apiculato-acuminata, basi rotundato-truncata saepe valde inaeqwilatera, basis parte anteriore late ro- tundata foliolum oppositum eum rhachi imbricante, parte posteriore plus minus resecta, breviter vel brevissime (terminale mediocriter) petiolwlata (2 —3—7 mM.); coriacea; subtus ad nervos cum petiolulis et rhachi villosula vel pwbescentia, in sieco (adulta) opaca; im vivo saturate viridia, dense subti- lissime pellueido-punctata, (1) nervis utringue 14—18 fortioribus, patulis, rectis prope marginem adscendentibus, retieulatione venarum saepius conspi- eua. _HFoliola circ. 170 longa et 60 lata in ramis sterilibus saepe majora; 210 longa et 65 lata apieulo 10—15 mM; inferiora minora. Racemi in axillis saepissime defoliatis, saepe etiam in ramulis annosis, circ. di- gitwm crassis 1—10 fasciculati graciles, spiciformes, saepius numerosissimi pubescentes vel villosi 25—100 mM. longi. Flores albi ingrati odoris; 6—10 mM. longi; breviter nune brevissime pedieellati (pedicellis O— 2 mM. in var. minor 2—4 mM.), alabastra parwmper globosa, mox corollae erup- tione oblonga; bracteae late ovatae naviculares apiculatae, pedicellis sac- pius cire. aeqwilongae vel longiores (+ 2 mM.) (in var. minor breviores angustiores). Calyx patente-campaniformis, usque medium 3 A-fidus, lobis obtusis, saepe inaequalibus (2—5 mM. altus), parce hirtellus. Petala extus appresse hirtella, subvalvata in floribus fertilibus demum cum calyce
cireumseisso, tubo et tubulo, decidua, eodem modo ut in D. caulostachyo.
(4) Diachyma eellulis seeretoriis rotundis magnis in quovis strato cellularum reple- tum, materies secreta opaca, haud pellucida; punetula pellucida in foliis junioribus mi- nutissima a cellulis cristalliferis in staurenchymate numerosis oriuntur,
MELIACEAE. — 46 —
Tubus stamineus 8—10-laciniatus, lobis alte emarginatis extus appresse parce pilosus intus villosus 8 mM. longus, lobis fere 1 mM. Antherae 8—10 ellipticae inclusae parvae saepe cassae. Pollen globosum plicis 4 _binis oppositis conspicuis, poris in medio plicarum transverse ellipticis, 2232 u diam. Diseus breviter tubulosus ore obtuse 4—5-denticulatus, glaber, intus pilis raris retrorsis, pistilli 4 aequans (3 mM. altus). Ovarium cum stylo toto hirsutum, parvum, A-loculare; loculis 1-ovulatis, interdum obsoletis. Capsulae succo lacteo valde glutinoso, modo ohovatae apice depressae, modo ellipsoideae utringue acutae, nunguam (ut habet Kine) basi in stipitem (pseudo-pedicellum) attenuatae, minute-dense-griseo-vel fla- vido-pulverwlento-tomentellae, in typico lenticellatae fere glabrae, brevissime pedicellatae, 40—30 mM. longae. Semina 16—20 mM. longa subtrigona, dorso convera; intus angulata, ibique hìilo angusto placentae adnata dorso testa tenui fragili badia, ventre arillo valde carnoso testae adnato, basi et apice cuculliformi rubro induta. Cotyledones integrae, modo colla- terales, modo plano diagonali separatae, inaegquales, supra medium (circiter ad 4 seminis longitudinis inde ab apice) plantulae affirae; radicula su- pera glabra; plumula subnulla.
var. minor. K. ef V. — Dysoxylum trichostylum Mrq. (non C. Dre.) in Ann. U. ce. 11. Folia ad rhachin et petiolulos subtus pubescentia vel raro glabra (teste MrQurr); 4—6-rarius T-juga, rhachi 170—400 mM. longa; Foliola quam in genuina minora, saepe angustiora, basi valde inaequals hine rotundata, illinc resecta acuta, longiuscule petiolulata, (petiolulis hine 4, illine 10—12 mM.) tenue coriacea, minute, pellucido-punctulata nervis 10—14; 100—180 longa et 40—60 lata. Bracteae quam in ge- nuina minores, angustiores, longius acuminatae (1—2 mM. longae) pe- dicelli longiores (2—4 mM); flores minores (T mM). Petala imprimis ad apicem pubera, deorsum modo glabrescentia; discus minutissime cre- nulatus. Capsulae ellipsoideae dense flavido-tomentellae. Cetera omnia
genuinae.
Adnotatio. Dysoxylum trichostylum e descriptione Mrgurum a D. den- sifloro nullum exhibet discrimen nisi pedicellos longiores, bracteas angustiores.
Specimina florigera ex herb. Kps. cum originali D. trichostylo bene congruentia, florum structura in omnibus partibus D. densifloro similia sunt et vir nisi floribus minoribus longius pedicellatis (charactere vero in D. densifloram minime constante), foliis minoribus, foliolis tenuioribus, basi acutioribus longius petiolulatis a genuino D. densifloro differunt, Ba
ASS MErIACEAE.
pro varietate hujus specie igitur habemus, potius quam pro specie dis- tincta. Planta a Cpe. descripta ex specimine originali in Herb. Rhen. Traj. tam a descriptione Mrquruu quam a nostra variis notis (petalis gla- bris!) recedit et forsitan speciem propriam constituere videtur.
b. Bloeiwijzen uit de oksels. a Bladeren 2—6-jukkig evengevind; bloem meest A-tallig. aa. Bloembladen van buiten onbehaard. (soort 4—7).
4, Dysoxylum alliaceum Br! Bijdr. L 172; Miq. Ann. Lc. p. 22; Flor, IL. B. IL. 2. p. 536; CDC. 1. ce. p. 482. ; — Guarea alliacea Br. Flor. bot. Zeit 1824 I p. 290; — TFrichilia alliacea SPRENG. syst. ; — Dysorylum longifolium Bru. Ll. e.; D. acuminatissimum Br. Le.; — D. laziflorum Br. le.; MrQ- Le.;— Prasorylon alliaceum Roru. le. p. 101; — Hartighsea Forsteri TeysM. et Binn. Cat Hort Bog p. 211 exel. syn. Rorm.-- Alliaria Rumru. Amb. IL 81 tab. 20 (synn. teste Miq: et CDC.) — Dysorylum excelsum, Br, var. glabriflorum MiQ!== D. excelsum var. glaberrimum CDC. Le.
Hooge boom H == 20—25 M. bij D == 40 —60 cM‚ Stam : Meestal nogal recht ; met kleine wortellijsten ; met ondiepe gleuven. Takken: Onderste zware takken soms nogal laag bij den grond; meestal rijk verdeeld. Kroon: Onregelmatig ; meestal nogal dicht; niet bijzonder hoog-aangezet. Schors: 8 mM. dik. Bros. Buiten donkergrauw. Doorsnede vuil oranjebruin. Binnen vuil wit. Met veel fijne dwarsche en overlangsche barsten. Zonder lenticellen. Zonder melksap. Zon- der bladgroen.
Twijgen dun bruingrauw, fijn-gerimpeld, zonder lenticellen. Bladeren evengevind, (bij uitzondering wordt wel een eindblad gevormd door abortus van een der blaadjes), 4—5—6-jukkig ; meest S-jukkig, meestal met overstaande blaadjes (aan denzelfden boom kunnen de blaadjes soms afwisselend staan). Bladspil en steel rol- rond, van boven afgeplat en min of meer gegleufd, onbehaard, min of meer houtachtig. Bladsteel in siceo eenigszins dwars-gerimpeld alleen geheel onder aan den voet aangezwollen (soms zeer sterk) en
MELIACEAF. 4)
daar eenigszins kurkachtig. Blaadjes middelmatig- of langgesteeld met van boven gegleufde en aan den voet dikwijls kussenvormig aangezwollen steeltjes; meest elliptisch-langwerpig of langwerpig met breeden of smallen, min of meer toegespitsen voet en meest kort-, vrij stomp-toegespitsten top; dun-leerachtig geheel onbehaard, niet doorschijnend gestippeld; in sieco donkerbruin, aan de onderzij- de roodachtig-zwartbruin; met 9—12 paar dunne weinig uitspringen- de zijnerven, in sicco evenals de hoofdnerf meest donkerbruin of zwartachtig; secundaire aderen meest niet of nauwelijks zichtbaar. Jonge bladeren langs hoofdnerf en zijnerven soms iets behaard, gpoedig geheel onthaard. Volwassen bladeren levend geheel glim- mend gewoon groen of beneden lichtgroen. Jonge bladeren geheel lichtgroen. Bladspil met den steel meest 250—280 mM. lang. Bladsteel 50—100. Blaadjes in vorm en grootte zeer varieerend . 160 bij 50 mM. tot 130 bij 65. Bladsteeltje 6-15 mM. Grootste blaadjes volgens Miquer 240 mM. lang bij 70. Pluimen even lang als de bladeren (300 — 370 mM.) of weinig langer dan de bladsteel; in enkele specimina (2204a van Tjigenteng en 51534 van Tjibodas) veel korter dan de bladsteel (40 mM.) en dan met weinige onver- takte zijtakjes; meest sterk vertakt met opgericht uitstaande pluim- vormig vertakte zijtakken, die aan de secundaire zijtakjes trosvormig de bloemen dragen. Bloemen wit, met zwak aromatischen reuk; onbehaard, nogal klein; naar het schijnt eenigszins polymorph, 6—S mM. lang op 2—3 mM. lange steeltjes met 1 of twee zeer kleine spitse behaarde schutblaadjes. Kelk wijd napvormig met zeer breede ongelijke meest cuspidate tandjes, onbehaard. Kroonbladen 4—5, lijn-langwerpig, spits, klepvomig met ingekromde punten; in den bloei tot aan den voet vrij uitstaande en omgekruld. Meeldraden- buis met 8—10 afgeknotte onder de loupe onregelmatig gekartelde zeer korte tanden van buiten uiterst fijn-dun-behaard, bijna onbehaard ; van binnen fijn-langharig. Helmknopjes S—10, langwerpig ; bij som- mige exemplaren (in? alle bloemen) zonder stuifmeel (o. a. in 4900 B van Tjigenteng); in de buis ingesloten. Stuifmeel bolvormig met 4 smalle in de lengte loopende plooien in het midden van verdikte velden, met langwerpige poriën, dwars daarop geplaatst (40-45 g). Schijf buisvormig, onduidelijk S—10-tandig (somtijds
DysoxyYLuM. — 49 5 MELIACEAE.
(4—5 tandig?) eylindervormig of van onderen sterk verbreed, gewoon- lijk veel korter dan de halve stamper, van buiten zeer dun uiterst- fijnharig met uitstaande haartjes, (volgens CDC. van buiten onbe- haard) langs den rand en van binnen lang-dun-behaard. Hierstok bolvormig bijna even lang of half zoo lang als de schijf, aanliggend- behaard; 3—4-hokkig met twee eitjes boven elkaar in elk hokje; stijl vleezig nagenoeg onbehaard; stempel schijfvormig. Vrucht 1_—4-hokkig, tusschen de hokjes ingesnoerd en daardoor gelobd of niervormig, met ingezonken stijl-overblijfsel, van onderen afgerond en niet of bijna niet in een steeltje uitgetrokken; de éénhokkige vruchten bijna bolvormig met zijdelings geplaatst stijl overblijfsel, melkwit (of soms varieerend tot roze en violet?), wand stevig-vleezig-leer- achtig, eerst na het openspringen droog en leerachtig wordend, Zaad langwerpig-bolvormig, met ronden navel nabij de basis aan de buikzijde bevestigd, met dikke melksaphoudende menieroode zaad- huid, die gemakkelijk van de kiem loslaat. Kiem lichtgroen, sterk naar uien riekend, met naast elkaar of meestal sclfeef boven elkaar, hoogst zelden boven elkaar geplaatste zaadlobben en buikstandig worteltje boven den navel naar de placenta (somtijds schuin naar boven) gekeerd, behaard, ingesloten, uitwendig zichtbaar en met een verheven wal omgeven; pluimpje klein, behaard.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. en wel hoofdzakelijk naar exemplaren uit Pa- ngéntjòngan (13638 8 en anderen). Volgens Mrqurr (Ann. l.c.) varieert deze soort in den vorm der bladeren; welke verschillende vormen door BLUuMe als soorten onder de namen D. acuminatissimum, D. longifolium en D. lariflorum zouden zijn onderscheiden. De laatste wordt weder door C. Doc. als variëteit afgescheiden. Al onze exemplaren on- derscheiden zich van de beschrijving van C. Dc. doordat de schijf duidelijk uitstaande- behaard is (volgens C. Dc. onbehaard). Ook bij een origineel exemplaar van BLuME in Herb. Bog. is de schijf (in de bloemknoppen) van buiten behaard. Al deze exemplaren moeten dus misschien tot de var. 3 gerekend worden, waarvan C. Dec. opgeeft dat de schijf langharig (villosus) is. Van het origineele verschillen onze exemplaren door de veel langere aan den voet kussenvormig verdikte bladsteeltjes. Uit Midden-Java ontbreken ons bloeiende, en met zekerheid tot deze soort behoorende exemplaren terwijl een enkel exemplaar uit Oost-Java (Herb Kps. 13259 @) door ons wegens de groote gelijkenis van het herbarium exemplaar als variëteit hiertoe is gebracht, ofschoon de schijf 5-tandig en dicht behaard is en dus van het type afwijkt.
Geogr, verspreiding: Geheel West-Java; o.a. op 700—1000 M. op den Karang en Poelasari in Bantën; op 1000—1500 M. op den G. Gëädeh, G. Galoenggoeng en het Kèndëng-gebergte in de Preanger resp. bij Tjibòdas, bij Pangëntjòngan en Tjigenteng. Im Midden-Java door ons alleen op 1400 M, op den G. Slamat in Tëgal boven Simpar
4
MELIACEAE. — 50 — DrYsoxrLum.
gevonden en op 1000 M. bij Pringämbà in Banjoemas. Op de meeste plaatsen niet zeldzaam; nooit algemeen. Buiten Java: „West-Sumatra” (Mra.). „Bergbosschen van Ambon” (Rumepmus). ?Op Malakka en Borneo onder den naam D. thyrsoideum Hirrn. — Standplaats: Alleen op constant vochtigen vruchtbaren grond in altijdgroene heterogene schaduw- rijke bergbosschen aangetroffen. — Ouderdom: Aanzienlijk. — Bloei- en vruchttiijd: Het geheele jaar door bloemen en vruchten, soms beide tegelijk aan denzelfden boom gevonden. Meestal niet zeer rijk bloe- iend. — Gebruik: Hout: Door de inlanders soms voor huisbouw gebe- zigd; echter niet bijzonder hooggeschat, Rumrpmrvs noemt het duurzaam en licht, maar zegt op een andere plaats, dat het weinig gebruikt wordt. Hout effen vuil wit; geen kernhout. Spint versch iets naar uien riekend. Schors, enz.: Aan ons is op Java geen gebruik bekend. Ruxrurus vermeldt, dat vóór den invoer van uien en knoflook de zaden als surrogaat hiervoor op Ambon dienden. R. vermeldt den uienreuk ook voor de bladeren, de schors en het versche hout. Sehors van alle door ons onderzochte boomen naar uien en bovendien walgelijk en eenigszins bitter smakend. De reuk naar uien is voor de stamschors van sommige der onderzochte boomen bijna niet waartenemen. Eigen- aardig is, dat de jonge bladeren van enkele door ons onderzochte exemplaren niet naar uien ruiken, terwijl meestal de reuk zeer sterk is. Smaak der jonge en volwassen bladeren steeds naar uien en iets bitter. — Cultuur: Niet aantebevelen, tenzij tusschen andere boomsoorten in reboisaties m. h. dog op irrigatie in bergstreken van M.- en W.-Java. — Inl. namen: Meestal Ki-bawang, s.; soms Pisitan-mònjèt, s. Vooral de eerste naam nogal vast. De laatste ook voor andere Dysoryum- soorten gebezigd. Bij Simpar in Tögal met den zeer localen naam Pela, j. Aan vele inlanders in Bantën door de locale zeldzaamheid bij name onbekend. — Habitus: Niet in het oogvallend. Im het bosch echter te herkennen, doordat op Java zoover bekend geen andere boomen voorkomen met grofgevinde bladeren en met naar uien smakenden schors, bladeren en zaden dan deze en een paar aanverwante Dysorylum-soorten.
„Var. 3 laxiflorum” CDC. (Brume spec.)
„Blaadjes afwisselend; zijtakken der pluimen iijlbloemig; schijf van buiten met naar boven gerichte lange haren” (CDC. le. 4835). Volgens Brume zijn de bloemen zeer geurig.
Aanm. Ontbreekt? in Herb. Kps. Zie echter aanm. blz. 49.
Var. 7 pauciflorum K. et V.
Bladeren der bloeiende twijgen 2—5-meest 4-jukkig; blaadjes klein, nagenoeg overstaand, gewoon groen, langwerpig, spits-toegespitst 100 mM. lang bij 40; bladsteeltje 10 mM.; jonge bladeren donkerroodbruin, sterk naar uien riekend. Bloeiwijze even lang of korter als de bladsteel; 30—50 mM. lang; zijtakjes weinig-bloemig. Bloemen 7—8 mM. lang wit, reukeloos; kelk fraai lichtgroen, helmknopjes geelbruin, overige deelen leliewit; buis van boven met een bruin randje. Buis eenigszins kroesvormig, bovenrand onduidelijk gekarteld, van buiten met weinige, zeer aan de dunne aanliggende haren. Helmknopjes 10; zonder stuifmeel. Schijf eylindervormig 10-tandig, van buiten met verspreide uitstaande haartjes, van binnen en aan den rand dicht-lang-behaard, half zoo lang als de stempel, tweemaal zoo lang als de eierstok, Vrucht bolvormig 15 mM. diameter,
DysoxyLum. — 51 — MELIACEAE.
Aanm., Beschrijving naar een enkelen boom (Herb, Kps, 4901 ). — Stam, kroon, schors verdienen in loco nog onderzocht te worden; zoomede verschil in boomhabitus met dáár groeiende exemplaren van het type.
Geogr. verspreiding: Slechts één boom gevonden n.l. in hoog- stammig heterogeen schaduwrijk oerwoud op vruchtbaren constant vochtigen grond op 1000 M. zeehoogte bij Takoka in de Preanger (afd. Soekaboemi).
Var. ò lanceolatum K. et V.
Blaadjes nagenoeg afwisselend, 5-jukkig; ei-lancetvormig of lang- werpig-lancetvormig, naar boven versmald met stompen top, aan den voet ongelijk afgerond-wigvormig 125—190 mM. lang, bij 70—60 kort gesteeld. Pluimen langer dan de bladsteel, met stevige hoofdas en rechtuitstaande zijtakken. Bloemknoppen afgeknot-ceylindrisch. Bloemen wit; sterk welriekend; buis bijna onbehaard; schijf evenlang als het ova- rium; breed-afgerond-5-tandig; wan bwiten en aan den rand zeer dicht- lang-behaard. Vrucht onbehaard.
Aanm. Beschrijving naar 2 specimina: Herb. Kps. 5144 2 en 13259 3. — De stam, kroon, schors, het hout, enz. zijn van deze boomen nog niet onderzocht. Dergelijk on- derzoek in loco is zeer gewenscht. Een der 2 van deze eigenaardige variëteit gevonden boomen is „genummerd” (zie Jaarverslag ’s Lands Plantentuin 1893) en daardoor op het terrein gemakkelijk terug te vinden.
Geogr. verspreiding: Slechts 2 boomen door ons gevonden nl. op 0-50 M. zeehoogte in hoogstammig heterogeen altijdgroen oerwoud bij Soebah in Pëékalongan en bij Rägâdjampi in Banjoewangi.
Arbor 20—25 M. alta. Ramuli minute rugulosi, elenticellosi. Folia pari-pinnata (abortu folioli singuli interdum impari-pinnata) A—5—6-juga (saepius 5-juga) foliolis saepius oppositis (in ecodem specimine saepe et alterna occurrunt). Rhachis eum petiolo teres, supra complanata et obi- ter sulcata, lignescens; petiolo in sicco saepe leviter transverse ruguloso ima basi incrassato et swberoso. Foliola breviter modo longiuscule pe- tiolulata; petiolulis supra sulcatis, basi incrassatis; elliptico-oblonga vel oblonga basi lata vel angusta magis minusve acutata apice breviter obtuse acuminata, tenui-coriacea, glaberrima, epunctulata; in sicco badia, subtus fusco-rubescentia; nervis lateralibus 9—12 teneris parum prominulis nigres- centibus, vends vie conspicuis. Folia novella ad costam et nervis parce pubera. Rhachis cum petiolo 250—280 mM. longa (petiolo 50 —100) Holiola forma et longitudine valde varia; modo 160 longa et 50 lata, modo 130 longa et 65 lata; petioluli 6—15 mM; foliola majora teste Mi- guel 240 mM. longa et 70 lata. Paniculae modo foliis aequilongae (300—370 mM.}) modo petiolo parum longiores, modo multo breviores (40 mM. longae), puberae; saepius valde ramosae, ramis erecto-patulis,
MerrACKAF. — 52 — DysoxyLuM.
ramulis racemoso-florigeris. Flores glabri parvuli (6—8 mM.) albi leviter suaveolentes, breviter pedicellati (2—3 mM.) bracteolis 1 vel 2 minutis, acutis puberis. Calyx late cupularis dentibus latis inaequalibus saepe ro- tundatis cuspidatis, glaber. Petala 4—5 lineari-oblonga valvata apice in curva, sub anthesin libera patulo-reflexa. Tubus stamineus dentibus 8 —10 brevibus, truncatis, sub lente irregulariter erenulatis, extus subglaber vel minute puberulus, intus villosulus. Antherae 8—10 oblongae, saepe cassae inclusae. Pollen globosum; 40—45 wu diam areis inerassatis 4, plicis elongatis longitudinalibus, poris oblongis transversis. Discus teres obscure 8—10 dentatus (interdum 4—5 dentatus) nunc basi valde dilatatus, extus (in speciminibus nostris omnibus) parce puberus pilis patulis (teste C. Do. glaber), intus et ad orificium villosus; pistillo dimidio brevior. Ovarium globoswm, disco dimidia parte brevior vel subaeqwilongus 3—4-loculare, ovulis superpositis; stylus carnosus subglaber; stigma discoideum. _Cap- sulae 1—4-loeulares lobatae vel reniformes, vertice depresso styli rudi- mento notatae, basi rotundata non stipitata; monospermae, subglobosae, vertice laterali; lacteae (modo roseae vel violaceae); pericarpio coriacco- carnoso, post dehiscentiam coriaceo. Semina oblongo-globosa hilo rotundo ventrali-basali; testa crassa lactescens miniata embryon laxe induens. _Em- bryon pallide viride, odore forti alliaeeo; cotyledones collaterales, vel obli- que sibi inewmbentes, raro superpositae; radicula ventrali horizontali vel obligue supera, hirtella, inelusa sed ad superficiem conspicua; plumula parva dorsali hirtella.
„@ laxiflora.” C. De. (Brumer spec.) „Foliola alterna; rami paniculae laxiflori, discus extus antrorsum vil- losus” (C. Do. l. c. 483) (teste Brumm flores valde suaveolentes).
y pauciflora. K. ef V.
Folia ramorum florigerum A-juga (2—5-); foliola parva subopposita oblonga acute acuminata 100 mM. longa 40 lata, petiolul. + 10 mM.; adulta viridia novella fusco-rubesscentia odore forti alliaceo. Paniculae petiolo breviores 30—50 mM. longae; ramuli pauciflori. Flores 1T—S8 mM. longi, albi, subinodori, sapore alliaceo; tubus suburceolaris obscure crenulatus extus pilis parcis appressis conspersus. Antherae 10 nune cassae. Discus ecylindraceus 10-dentulus, extus parce puberulus, intus et ad orificium dense villosus, ovarium duplo superans. Capsula parva glo- bosa 15 mM. diam,
DysoxyYLuM. — 53 — MELIACEAE.
9 lanceolata. K. ef V.
Foliola subalterna, 5-juga, ovato-lanceolata vel oblongo-lanceolata, sursum attenuata apice obtusa, basi inaequali rotundato-cuneata 125 —190 mM. longa et 70—60 lata breviter petiolulata. Paniculae petiolo longiores, rhachi robusta ramis patentissimis. _Alabastra truncato-cylindrica; tubus subglaber, discus ovario aeqwilongus, dentieulis 5 latis rotundatis, extus etl ad marginem villosissimus. Vix conspecifica.
5. D. elabrum Cas. Dec. le. 483. (An jure a D. alliacea dis- tinguendum ?)
„Twijgen onbehaard, zwartachtig-grijs, zonder lenticellen. Bla- deren niet zeer lang gesteeld (+ 45 mM.) 5-jukkig ; bladsteel rond ; blaadjes overstaand of bijna afwisselend, elliptisch-langwerpig, met gelijken spitsen voet, en zeer kort spits toegespitsten top; stevig ondoorschijnend, onbehaard, de bovenste 175 mM. lang bij 38, met + 9 uitstaand-opklimmende afwisselende zijnerven; bladsteeltjes + 5 mM., gegroefd. Pluimen gesteeld onbehaard iets korter dan de bladeren, de onderste zijtakken + 45 mM. lang, uitstaand, nogal dichtbloemig. Bloemen kortgesteeld (gedroogd roodachtig); kelk van buiten fijn kort behaard, 4-tandig met afgeronde, fijn-toegespitste tanden. Bloembladen onbehaard (+ 6 mM. lang) spits toegespitst ; buis ei-eylindervormig met korte slippen aan beide zijden behaard. Helmknopjes 8, elliptisch (+ 1 mM. lang). Schijf eylindervormig 4-lobbig, aan beide zijden dun-behaard, aan den rand gewimperd. Eierstok kegelvormig aanliggend-kort-behaard ; stijl onbehaard 4-hok- kig, met 2 boven elkaar geplaatste eitjes” (C. Doc.)
Aanm. Beschrijving overgenomen. Ontbreekt in Herb. Kps. Volgens C. Drc. wijkt deze soort van D. alliaceum af door den niet geheel onbehaarden kelk, de iets langere bloembladen, den aan beide zijden behaarden 4-lobbigen schijf en den kort behaarden (niet grof harigen) eierstok. Al deze kenmerken komen echter ook bij de door ons als D. alliaceum beschreven specimina voor; zoodat het ons moeilijk schijnt de beide soorten gescheiden te houden.
Geogr. verspreiding: Door C. DC. alleen Java vermeld zonder nadere opgaven van de vindplaats. Door De Vriese ontdekt.
MELIACEAE. — DA — DyYsoxyLuM.
„Foliis modice petiolatis, 5-jugis ; foliolis oppositis vel subalternis, bre- viter petiolulatis, supra subtusque glabris, elliptico oblongis, basi aequali acutis, apice brevissime acutiuseule cuspidatis, paniculis peduneulatis, gla- bris, breviter ramulosis, elongatis, ramulis patentibus subdensifloris; flo- ribus breviter pedicellatis; calyce extus subtiliter puberulo, 4-dentato; pe- talis glabris; tubo subovato cylindrico, breviter lacinulato, utringue puberulo ; tubulo ecylindrico, 4 lobulato, utringue puberulo, margine ciliato; ovario conoideo adpresse puberulo; stylo glabro.”
„Ramuli glabri, fuscescenti-argillacei, elenticellosi. Folia 27 cent. longa; foliola firma, opaca, superiora paullo majora 17 cent. *|, longa 38 mill. lata; nervis secundariis patulo-adscendentibus, alternis utringue circiter 9, subtus viv prominulis; petiolulis circiter 5 mill. longis supra leviter sulcatis. Petiolus subteres glaber, cireiter 45 mill. longus. Paniculae folia paullo breviores ramuli inferiores ad 45 mill. longi, reliqui gradatim bre- viores. Alabastra ovata. Flores sicci rubescentes. Calycis membranacei dentes rotundati, apice acute euspidati. Petala 4 circiter 6 mM. longa, membranacea laciniosa, apice acute acuminata. Antherae 8, circiter 1 mill. longae, el ipticae, dorsi supra basin sessiles. Stylus basi puberulus, cum stigmate brevissime cylindrico supra 4d-sulcato tubum paullo superans. Ova- rium 4-loculare, loewlis, ovulis suwperpositis” (Cas. Dec.)
6. D. fraternum, Mrq. Ann. l.c. 25.
„Knoppen rossig behaard, spoedig kaal wordend. Bladeren even- gevind, 5—4-, soms l-jukkig. Bladspil gegroefd, met den steel 190—300 mM. lang. Blaadjes bijna recht- of recht-overstaande, gesteeld; elliptisch-langwerpig met gelijken spitsen voet, en lang stomp toegespitst, 100—190 mM. lang bij 27—70; onbehaard; met 8 tot 10 schuin-opstaande zijnerven. Pluimen in de ontbladerde bladoksels ongeveer 75 mM. lang, pyramidevormig onbehaard, on- gesteeld met tuilvormig vertakte zijtakken. Bloemknoppen (reeds goed gevormd) 3 mM. lang, eylindervormig-hoekig ; met een klein lancetvormig schutblaadje onder de articulatie. Kelk klein spits 4-tan- dig, vliezig, onbehaard. Bloembladen onbehaard lijnvormig, stomp. Meeldradenbuis van buiten onbehaard, van binnen met dunne haren, met 8 uitgeschulpte tanden. Helmknopjes smal. Schijf kort. Eier- stok en basis van den stijl lang behaard.”
DysoxyLum. — 55 — MELIACEAE.
Aanm. Beschrijving overgenomen. Volgens MrqueL heeft deze onvolledig bekende soort uit Herb. Junam. (Java?) veel overeenkomst met D. arhorescens in den vorm der bloem- knoppen en D. simile in de bladeren.
Geogr. verspreiding: „Door C. Dc. alleen Java vermeld zonder nadere plaatsaanduiding.’
„Foliis abrupte-pinnatis, 5—4-usque 1-jugis; foliolis suboppositis vel oppositis, petiolulatis; terminalibus duo stricte oppositis, conformibus, e basi acuta aequali elliptico-oblongis, acumine longiuscule obtuso terminatis, glabris; pamiculis plerwmgque in avillis defoliatis sessilibus, pyramidatis, glabris, ramulis subeorymboso-floridis; calyce brevissime 4-dentato, glabro ; petalis glabris; tubo eylindrico-angulato, 8-dentato, extus glabro, intus parce pilosulo; ovario villoso; stylo basi villoso.”
„Innovationes rufulo-pubescentes, cito glaberrimae. Folia rarissime im- pari-pinnata; petiolus cum rhachi 30—19—30 cM. longus. Rhachis sul- cata; foliola superiora, inferioribus paullo majora, religua A1—19 eM, longa, 27 mM.—710 mM. lata; nervis seeundariis erecto-patulis, utringue 8—10. Alabastra jam satis efformata, vir 3 mM. longa, eylindraceo-angulata, obtusa; calyx initio subrepandus, dein 4-dentatus, dentibus triangularibus, acutis, membranaceis glabris. Petala lato-linearia, obtusa. Tubi dentis retusi. Antherae angustae sublineares, flavae”” (Cas. Duc.)
7. D. Nagelianum Cas. Drc. l.c. 504.
T wijgen onbehaard, donkerbruin, zonder lenticellen. Bladeren niet zeer lang gesteeld (steel 50 mM.) evengevind, ongeveer 180 mM. lang. Bladspil 4-hoekig, onbehaard, steel gesleufd. Blaadjes overstaand, kort gesteeld, elliptisch, kort-spits-cuspidaat, met spitsen of vrij stompen ongelijken voet, dun-leerachtig, ondoorschijnend ; gedroogd zwartachtig, glimmend, geheel onbehaard (+ 150 mM. lang bij 50 breed); zijnerven uitstaand-opklimmend gebogen, van onderen iets uitspringend ongeveer 10 aan weerskanten. Pluimen gesteeld, ongeveer half zoo lang als het blad, zijtakken kort (40 mM .) ijlbloemig. onbehaard. Bloemen naar wien riekend, vrij lang (2 mM.) gesteeld, onbehaard. Kelk onregelmatig 4-tandig, vliezig, bloembladen onbehaard spits-lintvormig (ongeveer 5 mM. lang).
Meeldradenbuis eylindervormig ; helmknopjes elliptisch 1 mM. lang.
MELIACEAE. — 56 — DysoxyLuM.
Schijf eylinder-kroesvormig, van buiten onbehaard, van binnen met naar beneden gerichte lange haren met gewimperden rand. Eierstok onbehaard, 3-hokkig” (Cas. Drc.).
Aanm. Beschrijving overgenomen. Ontbreekt waarschijnlijk in Herb. Kps. Schijnt van D, alliaceum voornamelijk te verschillen door den onbehaarden eierstok ; deze is echter bij sommige exemplaren van D. alliacewm slechts zeer weinig behaard.
„Foliis modice petiolatis, abrupto-pinnatis ; foliolis oppositis, petiolulatis, ellipticis, basi imaequali acutis subobtusisve, apice breviter acute cuspidatis, utringue glabris; panieulis pedunculatis, breviter ramosis, laxifloris, gla- bris; floribus longiuseule-pedicellatis; calyce irregulariter 4-dentato, glabro ; petalis glabris; tubo cylindrieo; tubulo eylindrieo-ureeolato, extus glabro, intus retrorsum villoso, margine ciliato; ovario glabro.”
„Ramuli glabri, fuscescentes, elenticellosi, Folia circiter 18 cM. longa, foliola subecoriacea, opaca, sicca fuscescentia, nitidula, circiter 15 cent. longa et 5 eM. lata; nervis secundariis patulo-adscendentibus, arcuatis, subtus subprominulis, utringue circiter 10. Rhachis, cum petiolo 5 cM. longo supra sulcato, subtetragona, glabra. Paniculae folium dimidium circiter aeqguantis rami ad 4 eM. longi. Flores odorem alliaceum refe- rentes, pedicellis circiter 2 mM. longis. Calyx membranaceus. Petala fir- mula, lacinioso-acuta ad 5 mM. longa. Antherae ellipticae 1 mM. longae, dorsi fere basi sessiles. Ovarium 3-loculare. Stylus cum stigmate bre- vissimo ecylindrico twbum aequans.”” (Cas. Dec.)
bb. Bloembladen van bwiten behaard. 1. Pluimen vertakt (Soort 8—12). *__ Blaadjes meest overstaand; tusschenaderen zichtbaar.
8. Dysoxylum excelsum Br. Bijdr. 1. 176; MriqverL Ann. lc. 19 excel. varietatibus 3 et 7; C. Dc. 1. e. 752 exel. var. £ ; — Hartighsea excelsa A. Juss. le. 76; MrQ. FL. IL. B.L. c. 538; — Frichilia excelsa SPRENG. Syst. V. 4 (exel. syn. JACK.) ; — Macrocheton eacelsum ROEM. syn. fase. 1. 104; — D. procerum HrerN. in Hook. Fl. B. I.r. 547; C. Do. le. 486, pro parte (! spec. ex herb. Calc. 588 in Sikkim coll. et ex herb. S. Kurz. in Assam.); — D. macrothyrsum Mrgq.! Ann. l.c. 20.
DysoxyLum. — 57 — MELIACEAE.
Woudreus H==45—50 M. bij D= 150 — 210 eM. (gemeten) Stam: Zuilvormig; in den regel eerst zeer hoog boven den grond vertakt; met nogal sterke wortellijsten; weinig knoesten Kroon: Zeer hoog aangezet: onregelmatig; nogal dicht. Takken: Niets opmerkelijks. Uiterste twijgen nogal dun. Schors: 5—6 mM. (bij 210 eM. stammiddellijn). Bros. Buiten grauw met kleine over- langsche barsten. Doorsnede oranjebruin. Met lenticellen. Zonder melksap.
Twiijjgen zeer fijn gerimpeld, bruingrijs, zonder lenticellen. Jonge deelen en knoppen zeer kort-aanliggend-, in sicco grijsachtig-behaard. Bladeren 2—5-,meest 5-jukkig, in sommige exemplaren 4-jukkig, langgesteeld, met van boven en zijdelings afgeplatte en soms opper- vlakkig gegroefde bladspil met litteeken of zeldzamer rudiment van een eindblad aan den top, hoogstzelden met een eindblad, en van boven zwak gegroefden aan den voet weinig verdikten bladsteel. Blaadjes van het bovenste juk precies, der overige jukken precies of bijna overstaande, nogal varieerend in vorm en grootte, meest langwerpig-elliptisch of langwerpig, (de onderste meer eivormig en kleiner) met geleidelijk of vrij plotseling kort- en stijmp- of meest lang- toegespitsten top en gelijken of ongelijken spitsen of min of meer afgeronden voet; leerachtig, volwassen met verspreide haartjes aan de bladonderzijde en kort behaarde bladsteeltjes of eindelijk geheel kaal; van boven glimmend donkergroen, v. onderen bleeker, in sicco geelachtig-aschgrauw tot donkerbruin niet doorschijnend gestippeld met 10—14 v. onderen uitspringende schuinopwaarts loo- pende zijnerven, nabij den rand opwaarts gebogen en dáár uitstervend; met zeer fijne regelmatige dichtopeenstaande dwarsadertjes; die vooral aan de bovenzijde zichtbaar zijn. Jonge bladeren roodbruin, geheel dun kort behaard. Pluimen gewoonlijk ongeveer even lang als de bladeren, sterk vertakt, met stevige hoofdas en ver uit- eenstaande recht afstaande, dikwijls overstaande korte zijtakken (zelden de onderste takken meer verlengd), die de gesteelde of ongesteelde bloemen direct of aan korte zijtakjes dragen; met kleine priem vor- mige schutbladen en schutblaadjes, geheel kort-donzig behaard, ein- delijk houtachtig, kaal wordend. Bloemen rozerood, zwak-onaan- genaam-riekend, in grootte en in den vorm en de lengte van de
MELIACEAE. — 58 — DYsoxYLUM.
schijf varieerend. Kelk meest spits- 4-tandig, diep of ondiep-nap- vormig, soms bij de open bloemen bijna 4-lobbig. Bladeren 400 — 550 mM. Bladsteel 90—120. Blaadjes 150—200 bij 55—65. Bladsteeltjes 5—10 mM. Aan steriele twijgen en aan jonge boomen de blaadjes dikwijls veel grooter, tot 350 mM. toe. Kroonbladen 4 lijnvormig geheel vrij, valvaat in knop met de verdikte toppen naar binnen gekromd van buiten zijdeachtig behaard ; meeldradenbuis eylindervormig dikwijls eenigszins vierkant, nabij den top iets verwijd, afgeknot met 8 - 10 zeer kleine veruiteenstaande tandjes, van buiten tot nabij den top zijdeachtig behaard van binnen onbehaard, helmknop- jes ingesloten, op eenigen afstand van den bovenrand ingeplant zittend. Stuifmeel bolvormig met: 5—4 niet in één kring geplaatste ronde verdikte plekken met kruisvormige poriën. Schijf eylindervormig of eenigszins fleschvormig, in lengte eenigszins varieerend van } tot bijna 4 stamper; van buiten geheel glad of meestal van boven met weinige naar onder gerichte haren, van binnen dicht- naar beneden- gericht- behaard, aan den rand met 8—10 afgeronde tandjes, dicht bezet met opstaande borstelharen. Stamper even lang als de buis, stem- pel schijfvormig even uitstekend; eierstok 4-hokkig, eivormig of verlengd-kegelvormig half zoo lang of bijna even lang als de schijf, dicht grof- behaard. Stijl tot op de helft of tot bij den top behaard. Eitjes meest 2 boven elkaar in elk hokje; soms in enkele of in alle hokjes slechts één eitje. Vrucht 4—l1-hokkig; meest 2 of 3- hokkig en- zadig; bolvormig of zijdelings afgeplat, met tot een korten steel saamgetrokken voet, uitwendig glad, met een aantal van den voet uitgaande iets uitspringende ribben, waarvan er gewoon- lijk S—12 elkaar regelmatig kruisende in het oog vallen; top afge- rond, soms met een korten snavel, die bij de één-zadige excentrisch is geplaatst; ongeveeer 50 mM. hoog bij 30—55 in diam; de éénzadige 25 en 30 mM. in diam.; eerst licht rozerood daarna donkerbruin; rijp onbehaard. Zaad langwerpig- afgerond, glanzig- roodbruin met grooten witten navel (op het zaad van Aesculus Hip- pocastanum gelijkend), die de geheele naar de placenta gekeerde oppervlakte inneemt, maar onder den top eindigt, aan de basis beves- tigd; zonder zaadrok, (tenzij men de buitenste weeke laag van de zaadhuid, die echter reeds in den bloemknop aanwezig is, als zooda-
DysoxyLuM. — 59 — MELIACEAE.
nig opvat); buitenste laag der zaadhuid onder de dunne bruine op- perhuid vleezig, melksaphoudend, 1—1.5 mM. dik, dan volgt een dunne laag van vezels en vaatbundels, dan een donkerbruine harde laag (testa) en dan een zeer dunne binnenste zaadhuid. De geheele bekleeding omhult den kiem slechts los en is in de nog gesloten vrucht tegen den wand van het hokje aangedrukt. Kiem ellipsoïdisch; zaadlobben boven elkaar geplaatst (door een horizontaal vlak geschei- den); de bovenste kleiner dan de onderste; nabij den navel aan het plantje bevestigd, worteltje zeer klein naar den navel gekeerd, pluimpje naar het midden gekeerd, behaard, ongeveer 3 mM. lang.
Aanm. Beschrijving naar een groot aantal exemplaren van Herb. Kps., vergeleken met een origineel exemplaar van BLUME in Herb. Bogor.
De exemplaren van verschillende standplaatsen varieeren buitengewoon in den vorm der bloeiwijze daar de bloemen nu eens geheel ongesteeld in dichte kluwens aan de secundaire zijtakken der bloeiwijze geplaatst zijn; dan weer duidelijk gesteeld aan de primaire zijtakken zelve, zoodat deze zich als trossen voordoen, eindelijk (in één exemplaar Herb. Kps. 5094 B, het eenige uit Oost-Java) in vrij langgesteelde driebloemige bijschermen aan de zijtakjes zitten. Á
Verder zijn er verschillen in de grootte der bloemen en in de lengte van den schijf, die volgens MrqueL den eierstok en °%/, van den stijl omgeeft; bij verre de meeste van onze exemplaren (ook bij het origineele) niet meer dan */,—'/, van den stamper bedraagt en in de meeste exemplaren niet fleschvormig maar kort-cylindervormig is en nu eens behaard van buiten, dan weer onbehaard.
MriqueL geeft verder op: hokjes van den eierstok 1-eiig, wat slechts bij uitzondering het geval is, ook bij het origineele exemplaar vonden wij de meeste hokjes met twee boven elkaar geplaatste eitjes.
De eigenaardige bouw van het zaad, met de als bij Chisocheton boven elkaar (niet naast elkaar) geplaatste zaadlobben, waarvan reeds BLuMe l.c. melding maakt wordt door Mrquer niet genoemd.
De door Mrqurr afgescheiden variëteit 3 glabriflorum (bij C. DO le. 752 glaberrimum) waarvan wij een exemplaar uit Herb. Lugd. Bat. door JUNGHUHN verzameld, konden verge- lijken, verschilt in alle opzichten verre van D. evcelsuum en is veel nader met D. alliacenum verwant. —
Ook de var. 4 Hasseltii ofschoon zeer verwant met D. ercelstun meenden wij als soort te moeten onderscheiden, daar zij méér punten van verschil vertoont met D. excelsium dan D. macrothryrsum Mriq. De laatstgenoemde soort houden wij dan ook voor identiek met D. emcelsum.
Dysoxylum procerum HiERN, waarvan een variëteit B integrmum door C. DC. als op Java voorkomende wordt opgegeven; heeft volgens Kurz witte bloemen, doch is overigens nauwelijks van D. ercelsum te onderscheiden. Wij zagen hiervan exemplaren door Kurz in Assam en door THomsoN in Sikkim verzameld. Im de beschijving van C. Duc. (l.e. p. 486) wordt opgegeven „tubo utringue prberulo” in die van HreRrN (l.c. 547) „tube glabrous”. Im de bovengenoemde origineele exemplaren is. de buis evenals bij D. evcelsum van buiten dicht-fijn behaard, van binnen glad; misschien zijn er dus ver- schillende soorten onder den naam D. procerum verward. De door HrerN bedoelde arillus is klaarblijkelijk niets dan de vleezige buitenlaag der testa of de geheele zaadhuid (zie boven). Wij vermoeden derhalve dat D. procerum B integrum C. Dec. niets anders is dan D, evcelsum BL,
MELIACEAE. — 60 —= DysoxyrLum.
Geogr. verspreiding: In M- en W.-Java; vooral in W.-Java. Dáár door ons alleen op 900—1600 M. en vooral op 1400—1600 M. gevonden. In Midden-Java op den G. Pandan (Madioen) op 500 M. en op den G. Slamat in Tëgal op 1500 M. In de Preanger op 1400 —1600 M. nogal algemeen; elders meestal zeldzaam. In Oost-Java het type en de var. @ nog niet gevonden. Dáár naar het schijnt vervangen door de var. 7 (parvifolium). Buiten Java: Im verschillende variëteiten waarschijnlijk van den Himalaya over Sumatra en Borneo tot Java. — Standplaats: Als D. alliaceum Br. — Voorkomen: Nooit gezellig. In den regel in enkel weinige individuen tusschen een paar honderd andere boom- soorten verstrooid. — Bladafval: Altijdgroen. — Bloei- en vrucht- tijd: Door ons nu eens bloemen en vruchten aan denzelfden boom dan weer alleen bloemen of vruchten verzameld in zeer verschillende maanden ; o.a. Juni, Aug. Nov, Januari. — Groeisnelheid: Een 30-jarige geplante boom bij Pangentjongan in de Preanger (afd. Limbangan) op 1300 M. op vruchtbaren constant vochtigen grond met H —= 22 M. bij. D= 45 eM.— Gebruik: Hout: Mededeelingen van inlanders over dit naar het schijnt weinig gebruikte hout uiteenloopend; meestal ongunstig beoordeeld. Deze soort vaak met andere boomspecies verward en daarom het oordeel van de inlanders zoo verschillend. Zou geen kernhout hebben. Hout geheel vuil wit. Schors, enz. Naar het schijnt reuk en smaak verschillend; soms beide bijna als D. alliaceum Br. met zwakken uienreuk en weinig bitter, soms reukeloos en intens bitter. Jonge bladeren van sommigen der door ons onderzochte exemplaren zwak naar uien riekend, van sommigen met aromatischen reuk; steeds zeer bitter, Reuk en smaak van volwassen bladeren als de jonge, maar minder sterk. — Cultuur: Bruikbaar in reboisatie m. h. oog op irrigatie op 1000—1500 M. in West-Java, wellicht ook in Midden-Java. — In Ì. namen: Zeer onzeker; doordat deze soort door de inlanders vaak met D. alliaceum Bru. en D. densiflorum Mig. en een paar andere Meliaceae verward wordt. Alleen bij Pangentjòngan (afd. Limbangan) vrij vast Ki-gegoela, s. Aldus soms ook bij Takòka (afd. Soekaboemi) en bij Tjibòdas (bij Sindanglaja) en dáár soms T'roes-goenoeng, s.; Ki-warirang, s.; Ki-tjarirang, s. en Tanglar s.; soms abusievelijk Pingkoe, s., Kapinango, s. en Ki-bawang, s. De naam Ki-gëgoela, s. vooral niet te verwarren met Goeld, j. of Kajoe-goeld, j. van Oost-Java, welke naam dáár o.a. in Banjoewangi voor een Amoora soort geldt. Bij Klangoen op den Pandan (Madioen) evenals een andere Dysorylum soort Doj, j. of Kedojd, j. Op den Slamat in Tögal en den G. Djaran (afd. Bandjarnögara). — Habitus: Woudreus met zuilvormigen stam, groote wortellijsten, meestal zeer veel pluimen bleekroze bloemen en grove gevinde bladeren.
Naar de lengte der bloemsteeltjes, die den vorm der bloeiwijzen bepaalt; de grootte der bloemen en de lengte der schijf onderscheiden wij de vol- gende variëteiten:
var. X (genuina) (Br.! Bijdr. p. 175, specim. orig. in Herb. Bog.).
Bloeiwijze meest langgesteeld, onderste zijtakken korter dan de steel, + 70 mM. lang; secundaire zijtakjes 10 mM. Bloemen in kluwens langs de zijtakken en secundaire zijtakken. Bloemen 15 mM. lang, onmiddellijk
DysoxyYLum. — 61 — MELIACEAE.
onder de kelk gearticuleerd; uiterste bloemsteeltje vleezig, zeer kort met eenige spitse schutblaadjes aan den voet; kelk in het exemplaar van Brume klein, in spee. Herb. Kops. 3048 a nogal groot napvormig eenigs- zins vleezig. 3.5 mM. hoog. Buis afgeknot, gaafrandig met zeer fijne kartels. Schijf eylindervormig of iets kroesvormig weinig langer dan de eierstok, korter dan de halve stamper, van buiten soms geheel onbehaard; stijl tot nabij den top behaard; hokjes van den eierstok soms 1-eiig. Buis 9 mM. Stamper 9 mM. Schijf 3 mM.
Aanm. Beschreven voornamelijk naar eenige ex, van Herb, Kps. vooral naar spec. van Tjibòdas (Preanger).
Var. @ pedicellata K. et V.
Bloeiwijze meest langgesteeld, onderste zijtakken korter dan de steel meest overstaande, trosvormig; bloemstelen goed ontwikkeld, meest 1-, aan de onderste zijtakken 1—5-bloemig, met een articulatie op eenigen afstand onder de kelk, meest met 2—4-spits-eivormige schutblaadjes onder de articulatie en een priemvormig schutblad aan den voet. Pluim 40—320 mM., steel 50—80, onderste zijtakken 60—70; bloemsteeltjes 3—4 mM. Bloemen vrij groot 15—18 mM.; schijf ongeveer !/, van den stamper lang, 2 X zoo lang als de eierstok, van buiten boven het midden behaard of glad. Stijl boven het midden onbehaard.
Aarm. Beschreven naar eenige specimina uit Pangentjòngan (Preanger).
Geogr. verspreiding: Alleen van Pangentjòngan (afd. Limbangan; Preanger) bekend. — Inl. namen en habitus als het type.
Var. 7 parvifolia K. et V.
Bladeren 4—6-jukkig reeds spoedig na het ontplooien geheel onbehaard; bladspil met den steel 160—300 mM., steel 60—110 mM. rol- rond iets afgeplat van boven, spil van boven en zijdelings zwak gegroefd. Blaadjes overstaand langwerpig vaak nogal scheef; nogal stomp kort toegespitst met versmalden of spitsen bijna gelijken voet 120—180 mM. lang bij 40—70; bladsteeltjes 5—10 mM., in sieco papierachtig, olijf- bruin, met —- 10 dunne zijnerven en zeer onduidelijke of onzicht- bare dwarsche aderen. Pluimen ongeveer zoo lang als de bladeren; onderste zijtakken langer dan de hoofdsteel. Bloemen in 3-bloemige bijschermen, die op vrij lange steeltjes trosvormig aan de zijtakken geplaatst zijn; eindbloemen zittend zonder schutblaadje, zijdelingsche bloemen zeer kort gesteeld, onder den kelk geärticuleerd, met zeer kieine priemvormige schutblaadjes. Knoppen ongeveer 12 mM. lang; buis 10 mM.; schijf fleschvormig iets langer dan de halve stamper, van buiten geheel onbehaard; stijl boven het midden onbehaard.
Aanm. Beschrijving uitsluitend naar Herb. Kps. 5094 3 uit R. Bésoeki. Dit is misschien een andere soort. Een nader onderzoek in loco zeer aanbevolen.
Geogr. verspreiding: Slechts op één plaats door ons gevonden nl, bij desa Bëdewang in Banjoewangi op 50—100 M. zeehoogte. Dáár
MerrLrACKAR. — 62 — DysoxyLum.
nogal zeldzaam. Bwiten Java: onbekend. — Standplaats: Hoog- stammig heterogeen schaduwrijk altijdgroen oerwoud op vruchtbaren constant vochtigen grond. — Gebruik: Hout voor huisbouw bruikbaar geacht; zou onder dak nogal duurzaam zijn. Schors, enz.: niet gebezigd. — Inl. namen: Narap, j. in Banjoewangi alleen voor deze en de volgende species geldend.
Arbor 45—50 M. alta. Ramuli minute rugulosi, elenticellosi. _Innova- tiones griseo-puberae. Folia (400—550 mM. longa), 2—5-juga, saepius B-vel 4-juga, longe petiolata rhachi supra et lateraliter complanata, nunc obiter sulcata; pari-pinnata; rhachi rarissime rudimento folii vel folio ter- minata; petiolo supra obiter sulcato basi parum incrassato. Foliola suprema stricte opposita, cetera opposita vel subopposita forma et longi- tudine varia, saepius oblongo-elliptica, inferiora magis ovata, apice breviter vel longiuscule acwminata, basi aequali vel inaequalì acuta vel magis mi- nusve rotundata; coriacea; adulta subtus ad nervos cum petiolulis pubera, rarius deglabrata; in vivo supra nitida saturate viridia, subtus pallidiora; in sicco avellanea vel badia opaca, 150—200 mM. longa et 55— 65 lata; epunctulata; nervis lateralibus 10—14 subtus prominulis, prope marginem adscendentibus, evanescentibus; venulis transversis densis regularibus tener- rimis, supra praesertim perspicuis, hand prominulis. _Foliola in ramis sterili- bus saepe permagna usque 350 mM. Paniculae foliis circiter aequilongae (in singulis speciminibus multo breviores) ramosae, ramis saepe oppositis bre- vibus vel infimis magis elongatis, flores sessiles vel breviter pedicellatos modo in ramulos breves spicatos gerentibus, imprimis ad ramos puberae, bracteis et bracteolis parvis subulatis. Flores pallide rosei odore ingrato levi, longi- tudine pedicellorum et tubuli variantes. Calyx acute A-dentatus, cupularis post anthesin fere 4-lobus. Petala 4 linearia, libera, extus sericea; tubus stamineus teres vel subquadrangularis, sub apicem parum dilatatus, truncatus, brevissime distanter 8— 10-denticulatis, extus sericeus, intus glaber. _Antherae inelusae. Pollinis grana areis inerassatis 4—5 rotundis, poris oblongis plicis brevibus transversatis. Discus teres vel sub-lageniformis longitudine ZH pistillum aequans extus glaberrimus vel saepius pilis sparsis retrorsis intus dense retrorsum-villosus, ore 8—10 rotundato-denticulatus dense ciliato-setosus. Ovarium ovoideum vel elongato-conoideum (in diversis speciminibus diversum) disco fere aequi- longum vel dimidio brevior, cum stylo fere toto (vel apice glabro excepto) hirsutum A-loeulare, ovulis in loeulis 2 superpositis vel (saepe in eodem ovario) singulis. Capsulae 4—1 (saepius 2—3)-loeulares; globosae vel (biloeulares) lateraliter compressae, apice rotundatae vie rostellatae (ros- tello in capsulis monospermis excentrico), basi in stipitem brevem constricti,
DysoxyLum. — 63 — MErIACEAE.
laeves, a basi nervis 8—12 prominulis obiter costatae, circiter 50 mM. altae 30—55 mM. diametri, monospermae minores globosae (25—30 mM. diam); pallide roseae, demum fuscae, glabraec. Semina oblonga, apice et basi rotundata, testa lara crassa 1—14 mM.) carnosa (demum coriacea) laete fulva, hilo magno albo ventrali-basilari, exarillata (sive arillo adnato auctorwm). Embryo ellipsoideum, cotyledonibus suprapositis subae- qualibus, superiore saepe minore; plantula prope hilum inelusa,-radicula minuta ventrali, cum plumula (3 mM. longa) hirsuta.
var. « (genuina) (Br! Bijdr.; specim. originale in Herb. Bog.).
Pamnieulae saepe longe pedunculatae, rami inferiores peduneulo breviores (4 70 mM.); Flores in ramulos (10 mM. longos) breves et ad ramos glomerati, subsessiles, sub calycem articulati, pedicellis brevissimis bracteo- lis acutis suffultis; 15 mM. longi. Calyx modo brevissimus modo altius cupularis. Tubus truncatus subinteger minutissime emarginatus 9 mM. longus. Discus cylindraceus vel suburceolaris, ovarium parum superans,
dimidio pistillo brevior, extus saepe glaber; stylus totus hirsutus.
var. (2 pedicellata K. et V.
Paniculae 40—320 mM. longae saepius longe peduneulatae, (pedunc. 50—80 mM.) ramis inferioribus peduneulo brevioribus saepe oppositis, race- mosis, pedicellis conspicuis, saepius 1-floris ad ramulos 1—3-floris, articu- latione a calyee remota, bracteis 2—4 acute-ovatis decussatis, bractea subu- lari subpedicellis. Flores 15—18 mM. longi; discus 5 pistilli aequans ovarium duplo superans extus supra medium hirtellus vel glaber. Stylus supra mediwm glaber.
var. 7 parvifolium K, ef V.
Folia 4—6-juga mor tota deglabrata, rhachi supra et ad latera subsul- cata, cum _petiolo tereti supra subeomplanato (6GO—110 mM. longo) 160—330 mM. longa; foliola opposita oblonga interdum obliqua apice breviter obtusiuscule acuminata, basi angustata vel acuta subaequalia, in sicco papyracea olivacea nervis lateralibus + 10 tenuibus venis transversis tenerrimis vel saepius inconspicuis. Paniculae folia aequantes ramis infe- rioribus pedunculo longioribus. Flores in eymas 3-floras pedicellatas dis- positi; terminales sessiles abracteati laterales brevissime pedicellati, bracteo- lis _minutis subulatis. Alabastra circ. 12 mM. longa. Tubus 10 mM. Diseus lageniformis pistillà dimidio longior extus glaber. Stylus supra me- dim glaber.
MELIACEAR. r6A DysoxyvLuM
9 Dysoxylum Hasseltii K. et V. — D. excelsum, var. Hasseltii Mrq.! Ann. le. 20
Nogal (?) hooge boom. Stam: Niet zelden nogal krom; nogal laag bij den grond met schuinopwaarts gerichte rijkverdeelde nogal kromme takken; nogal rolrond; zonder wortellijsten, met weinig knoesten. Kroon: Meestal nogal laag aangezet; onregelmatig ; nogal dicht. Schors: 6—7 mM. dik. Bros. Buiten grauw; nogal glad, niet afschilferend. Doorsnede licht-roodbruin. Binnen vuil wit. Zonder melksap. zonder bladgroen. Reuk als Cedrela febrifuga Br, maar minder sterk (niet naar uien). Smaak samentrekkend en iets? bitter.
Twijgen nogal dun grijs fijn gerimpeld, zonder lenticellen. Knoppen en jonge deelen (in sieco) geelachtig-zacht-behaard. B la- deren 2—4-zeer zeldzaam 5-, meest 4-jukkig; lang-gesteeld; met vrij dunne zijdelings en van boven eenigszins afgeplatte bladspil, die aan den top in een litteeken of bladrudiment eindigt en van boven gegroefden, bijna rolronden, aan den voet weinig verdikten steel. Blaadjes nauwkeurig- of bijna-overstaand, die van het bovenste juk nauwkeurig-overstaand, elliptisch of eivormig- elliptisch met een recht vrij smal topverlengsel, met stompen of spitsen soms onge- lijken en dan aan één zijde afgeronden voet, dun- leerachtig, zonder doorschijnende stippen; levend boven nogal donkergroen, van onde- ren bleekgroen; in sicco licht-grijs-bruin, van boven behalve langs de zwak gegroefde hoofdnerf onbehaard; wan onderen vooral langs de nerven dun-zacht-behaard; bladsteeltjes geheel behaard; met talrijke (12—16 soms 20) evenwijdige, van onderen uitspringende schuinuitstaande nabij den rand opgekromde en daar uitstervende zijnerven, dwarsadertjes zeer talrijk, regelmatig, uiterst dun, vooral aan de bovenzijde, doch slechts onduidelijk zichtbaar (als bij D. excel- sum). Bladeren gemiddeld 8350—500 mM. lang bij 280 —250. Bladsteel + 100 mM. Blaadjes gemiddeld 200 mM. bij 80; aan steriele twijgen (bij jonge boomen) dikwijls 260—380 lang bij 115— 140 en bladsteeltjes 5-—7 mM. Pluimen slank, meest ongeveer evenlang als de bladeren, gesteeld of ongesteeld, zeer sterk vertakt, met wijduitstaande lange roedevormende of korte, dikwijls overstaan-
DysoxyrLuM. — 65 — MerrACEAR.
de zijtakken en loodrecht afstaande aarvormige secundaire zijtakjes ; 200 —500 mM. lang, zijtakken 40 —185, aren 10—22 mM.; geheel kort-geelachtig-behaard. Bloemen kortgesteeld, dicht onder de kelk geleed, met priemvormig schutblad langer dan de bloemsteel en 2—4 kleine spits-eivormige schutblaadjes onder de articulatie; wit (volgens vAN Hasserrt bij Mrquer Le); kleiner dan bij D. evcel- sun, maar in onze specimina nog niet geheel open, in sicco ongeveer 12 mM. lang; overigens aan die van D. evcelswm gelijk. Bovenhelft van den stijl onbehaard. Schijf ruim half zoo lang als de buis; van buiten nabij den top met naar onderen gerichte haren ; eierstok half zoo lang als de schijf, dicht behaard 4-hokkig, met twee boven elkaargeplaatste eitjes in elk hokje; stempel klein; stijltop boven de buis uitstekend. Vrucht ongeveer als bij D. excelsum, bolvor- mig- peervormig, aan den voet tot een korten dikken steel saamge- trokken, ongesnaveld, 4—l-hokkig, in het laatste geval asymme- trisch; volwassen spoedig kaal, levend fraai zeer bleek-roza, van binnen melkwit, bijna smakeloos; wand vleezig, in sicco van buiten vooral aan den voet geribd. Zaad als van D. excelsum, kiem bij het onrijpe zaad vuil oranje, hier en daar met een groen zoompje; pluimpje behaard.
Aanm. Beschrijving naar een aantal exemplaren van Herb. Kps. vergeleken met het authentieke exemplaar, dat door vAN HAsseLT verzameld, en door Mrquer als variëteit van D. excelsa Bu beschreven is. De overeenkomst der bloemen en vooral van de vrucht dezer soort met D. excelsa, die zij in Midden- en Oost-Java schijnt te vervangen is inderdaad zeer groot. De voornaamste verschillen zijn:
le. de beharing die aan de jonge deelen lang en rossig is en slechts langzaam bij de zeer oude deelen verdwijnt;
ge. de vorm en nervatuur der blaadjes, die meer zijnerven hebben dan D. excelsa ;
3e. de veel sterker vertakte inflorescenties met slanke hoofdas en lange roedevormende zijtakken en
4e. de kleinere en volgens VAN HaAssELT en ook volgens onze waarneming witte bloemen.
Deze verschillen schijnen ons inderdaad belansrijker dan die tusschen D. macrothyrsum Mrq. en D. evcelsum Br. waarvan de bloemen onderling evenmin verschillen van eenig gewicht vertoonen.
Geogr. verspreiding: Door ons alleen in Midden- en Oost-Java bijna uitsluitend op 900—1200 M.; bij Balak in Banjoewangi ook op ongeveer 300 Meter zeehoogte. Vindplaatsen o.a.: Boven Soerdjä in Pëékalongan, op den G. Oengaran boven Kota-Oengaran, bij Pantjoer op G. Rahoen-Idjèn; bij Pringämbâ in Banjoemas. Meestal nogal zeldzaam. Echter bij Pantjoer niet zeldzaam. Buiten Java: onbekend. — Stan d- plaats: Als D. alliaceum Br. — Voorkomen: Verstrooid. — Bloei- en vruchttijd: Door ons bloemen in Febr,—Juni en vruchten Nov.—
5
MeErIACKAE. di DyYsoxrLuM.
Dee. verzameld. Meestal niet rijk vruchtdragend. — Gebruik: Hout: Mededeelingen der inlanders over gebruik loopen zeer uiteen. Wordt echter weinig gebruikt. Spint wit; reukeloos. Schors, enz.: niet door de inlanders gebezigd. Volwassen bladeren reukeloos; samentrekkend smakend. Vruchtwand van bijna rijpe vrucht zonder melksap, bijna reukeloos en smakeloos. — Cultuur: Wellicht bruikbaar in reboisatie m.h. oog op irrigatie. — Inl. namen: Meestal zeer onzeker en niet zelden „geheel onbekend. Bij Pringämbä soms Kraminan, j. Bij Pantjoer (Sitoebändâ) soms ? Raoe, md. Bij Rägâdjampi in Banjoewangi evenals onze variëteit par vifolium van D. ezcelsum Br. vrij constant Narap, j. geheeten. Deze soort vaak door inlanders met anderen boomsoorten verward. — Habitus: Meestaj( ? steeds) zeer verschillend van D. escelsum Br. (met de namelijk in den regel krommer, met meer laag aangezette kroon, nooit zóó hoog wordende als D. ezcelsum en met veel sterker in het oogvallende primaire bladzijnerven. Noch in blad noch in bloei- of vruchttijd in het oogvallend.
Arbor ?medioeris. Ramuli minute rugulosi elenticellosi. Innovationes (in sicco) flavido-pubescentes. Folia 300—400 mM. longa, pari-pinnata 2—4-, saepius 4- (rarissime 5-) juga; longe petiolata; rhachi gracili supra et lateraliter subcomplanata cum petiolo subtereti supra obiter sulcato, basi parum inerassato 100—130 mM. longo. HFoliola opposita vel sub- opposita (suprema semper stricte opposita) elliptica vel ovato-ellip- tica anguste acuminata; basi obtusa vel acuta interdwm antica rotundata, epunctulata, in sicco avellanea; in vivo supra satis viridia, subtus palli- diora; supra ad costam depressam et subtus imprimis ad nervos villoso- pubera; circ. 200 mM. longa 80 lata; in ramulis uberioribus 260—380 longa et 115 —140 lata; petiolulis puberis 5—T mM. longis ; nervis 12—20 parallelis oblique patulis ad marginem adscendentibus et delitescentibus venulis transversis parwum conspicuis. Paniculae graciles foliis saepius aeqwilongae pedunculatae vel inde a basi ramosae, ramis elongatis virgatis vel brevibus saepe oppositis ramulis patentibus spicatis. Paniculae 200— 500 mM. Panicularum rami 40—185 mM., ramuli 10—22 mM. longi. Flores breviter pedicellati sub calyce articulatae bracteis subulatis quam pedicelli longioribus; bracteolis 2 —4 parvis, acute ovatis sub articulatione; albi; üs D. exeelsi minores (fere aperti) in sicco + 12 mM longi. Discus tubo dimidio brevior, ovario duplo longior, extus prope apicem retrorse pilosus. _Ovariwm 4-loeulare, ovulis superpositis, stylo apice exserto glabro. Cetera D. exeelsi. Capsula fere D. excelsi globoso-pyriformis, basi in stipitem brevem crassum contractum, erostellatum 3—1-loculare, pallide roseum; pericarpio subcarnoso in sicco imprimis ad basin costulato.
Semen D. excelsi.
DysoxYLum. le MELIACEAD.
10. Dysoxylum simile Br.! Bijdr. p. 174.; Mrq. Fl. J. B. IL. 2 p. 537; MrQ. Ann le. 28. — Guarea axillaris mse. in Herb. L. B.
Twijgen lichtbruin, gerimpeld, zonder lenticellen. Bladeren meest evengevind 3—5-jukkig, geheel onbehaard. Bladspil dun rolrond, van boven en aan de zijden gegroefd met den 60—85 mM: langen steel 150 — 220 mM. lang; steel aan den voet zeer weinig aange- zwollen. Blaadjes meest overstaand, langwerpig-lancetvormig gelei- delijk vrij lang toegespitst met meest gelijken spitsen (zelden aan een zijde afgeronden in het vleezige steeltje afloopenden) voet, leer- achtig; in sieco geheel roodbruin, levend boven fraai zeer donkergroen, beneden bleekgroen en geheel glimmend; jonge bladeren roodbruin met groene nerven. Zijnerven 8— 10 schuin opstaand, beneden uit- springend, boven iets ingedrukt. Secundaire nerven onregelmatig wijd-netvormig, dikwijls uit de hoofdnerf ontspringend, aan beide zijden zichtbaar. Bovenste blaadjes 150—190— 240 mM. lang bij 45—10, onderste blaadjes meer eivormig 90—125 bij 55—65. Bladsteeltjes kort of vrij lang (6—12 mM.) vleezig, in sicco zwart rimpelig. Bloempluim ongeveer half zoo lang als de bladspil; 100 —120 mM. weinig vertakt; onderste zijtakjes tros- vormig + 20 mM., lang, bloemen gesteeld (3 —5 mM.), met overstaande kleine schutblaadjes onder de articulatie. Bloemen (nog niet open) groenachtig wit, bijna reukeloos riekend, zwak naar uien eire. 10 mM. lang. Kelk spits 4-tandig evenals de steeltjes dun- fijn-behaard. Kroonbladen aanliggend-behaard. Meeldradenbuis na- genoeg gaafrandig, van buiten aanliggend behaard van binnen onbe- haard, 7 mM. lang; helmknopjes S—10, boven de buis uitstekend. Schijf van buiten onbehaard lang-cylindervormig, ruim *[, zoo lang als de buis, (5.5 mM.) van binnen dicht behaard aan den rand lang- borstelig. Eierstok en stijl bijna tot aan den top behaard. Vruchten (bijna rijp) in korte zeer vertakte pluimen bolvormig of tweelobbig 1—2-hokkig 12 mM. dik 28 breed; met steelvormig saamgetrokken voet met talrijke lengteribben aan den voet, vuilwit met lichtroze tint ; met leerachtigen wand. Zaad als bij D. alliaceum, nu eens met vlak boven elkaar, soms vlak naast elkaar soms schuin boven elkaar gelegen zaadlobben. Kiem sterk naar uien riekend,
MerrrACRAE. — 68 — DyYsoxyLum.
Aanm. Beschrijving der bloem naar Herb. Kps. 4935 3 en verder naar Herb. Kps. 5022 B en 14181 2 vergeleken met origineel exemplaar van Herb. Is B. (door BLUME?) op den Goenoeng Parang in (West-Java) verzameld en met 14665 Herb. Bog. van HASSKARL. Het laatste specimen heeft zeer smal lancetvormige blaadjes.
Zooals reeds MrQqurer l.c. opmerkt is de soort met D. evcelsum meer verwant dan met D. alliaceum, hetgeen ook door den bouw van den vrucht (steelvormig saamgetrokken en geribd) bevestigd wordt. De sterk naar uien riekende kiem en de plaatsing der zaad- lobben verbindt haar echter ook met D. alliaceum, terwijl de groote lengte der schijf de uitstekende helmknopjes, de witte bloemen en de smallere donkerder groene bladeren punten van onderscheid met D. evcelsum Bu. zijn. Mrquerr geeft echter ook voor D. evcelsum op: Schijf omhult den eierstok en */, van den stijl, terwijl wij daar de schijf nooit langer dan */, of */, van den stamper vonden.
Geogr. verspreiding: Door ons alleen een paar boomen en slechts op één plaats gevonden, nl: bij Palaboehanratoe in afd. Soekaboemi aan Zuidkust-Preanger op 50—100 M. zeehoogte. Buiten Java: onbekend. — Standplaats: Als D. ezcelsum Br. — Voorkomen: Zeer zeldzaam. Gebruik: onbekend, te zeldzaam. Kiem sterk naar uien riekend; walgelijk en zeer bitter smakend. - Volwassen bladeren reukeloos ; eenigs- zins bitter. — Inl. naam: Locaal en onzeker. De 2 gevonden boomen door de inlanders, ofschoon dezelfde species, met de namen Tjarirang, s. en Ki-boerandoel, s. (bij Palaboean) aangeduid. — Habitus: Blad em bloem herinnert aan D. alliaceum Br. en D. excelsum Br.
Ramuli avellanei, ellenticellosi. Folia saepius pari-pinnata, 3—5-juga, glaberrima, rhachi gracili tereti supra et lateraliter sulcata, cum petiolo (60—85 mM. longo) basi parum inerassato; 150—220 mM. longa. Fo- liola saepius opposita, oblongo-lanceolata, sensim longiuscule acuminata basi saepius aequali acuta (rarissime antice rotundata) in petiolulum car-
nosum (in sicco nigrescentem, rugulosum) producta, coriacea, in sicco fulvo-
badia, in vivo supra obscure saturate viridia, subtus pallidiora, nitentia ;
juvenilia fulva nervis viridibus. Nervi laterales 8—10 obligue patuli, subtus prominuli, supra parum depressi, utringue laxe retieulati venis secundariis saepe e costa media oriundis. Foliola superiora 150 —190—240 mM. longa et 45—70 lata; inferiora magis ovata 90—125 longa et 55-65 lata. Pandeulae fere 3 rhachin aequantes (100—120 mM.) pauci- ramosae, ramis inferioribus racemosis + 20 mM. longis. Flores pedi- cellati (3—5 mM.) bracteolis parvis oppositis sub artieulatione. Flores (nondum aperti) viridescenti-albi, fere inodori, circ. 10 mM. longi. Calyz acute 4-dentatus cum pedicellis laxe puberus. Petala sericea. Tubus sta- mineus subinteger, ertus appresse-hirsutus, intus glaber, 7 mM. longus ; antherae 8—10 exsertae. Discus extus glaber longe-tubulosus & partem tubi aequans (long. 5.5 mM.) intus dense retrorsum-pilosus, margine cilia- tus. Ovarium cum stylo fere usque ad apicem hirsutus. Fructus (ex
alio specimine) fere maturi in paniculas breves dispositi globosi vel glo-
DysoxyvLum. — 69 — MELIACEAE.
boso-bilobati, 1—2 locwlares, basi in stipitem (pseudo-peduneulum) contracti ibique longitudinaliter costati, sordide albidi, vel dilute rosacei, pericarpio coriacco; semen D. alliacei simile, cotyledonibus nunc suprapositis, modo
lateraliter, modo valde obliqgue incumbentes; embryo odore forti alliacco.
** Blaadjes meest afwisselend; tusschenaderen onzichtbaar; vrucht zeer groot.
11. Dysoxylum macrocarpum Br. Bijdr. p. 775; Mrg. Fl. J. B. In enpsoots suppl: Lp. 196; Ann. Lo. 23; CDC. Le. p. 510; — D. macrocarpum B Sumatrana Mriq. Ann. Le.
Nogal hooge boom: H.=19—21 M. bij D. == 40—45 cM. (nooit grootere boomen door ons gevonden). Stam: Meestal recht; rolrond; met weinig knoesten; zonder gleuven. Takken: Onderste zware takken meestal hoog boven den grond. Niet zeer rijk vertakt. Kroon: Meestal hoog aangezet ; onregelmatig ; nogal dicht. Schors: 5—6 mM. dik. Bros. Buiten grauw; weinig afschilferend; met ondiepe overlangsche en dwarsche barsten. Doorsnede en binnen vuil geel wit. Zonder melksap. Zonder? lenticellen. Met nogal veel bladgroen. Bijna reukeloos en bijna smakeloos; zeer weinig bitter.
Uiterste twijgen dun. Bladeren langgesteeld, onbehaard. Blaad- jes afwisselend ver-uiteenstaand, 5—6 aan weerskanten met onecht eindblad, zeer zelden de beide bovenste paren overstaand; kort-ge- steeld; langwerpig; meest kort spits toegespitst, soms naar beneden versmald, met meest gelijken spitsen of aan een zijde afgeronden voet; in sicco perkamentachtig, licht vaalolijfgroen, met zeer fijne talrijke doorschijnende stippels (kristallen); met 10 —16 paar stevige, gegolfde zijnerven, ongeaderd. Bladspil #-hoekig, geribd; bladsteel halfrolrond, van boven scherpkantig-gegleufd of vlak; aan den voet weinig aangezwollen. Bladspil met bladsteel (70 —150 mM.) dikwijls 210 —450 mM. lang niet langer dan & Meter; grootste blaadjes 240 bij 85 mM. meestal 90—190 bij 40—64. Bladsteeltjes 5—6 mM. Levende bladeren van boven nogal donkergroen en zwak glimmend; van onderen bleeker, dof. Pluimen circa 180 mM. lang axillair,
MELIACEAE. == DysoxyLuM.
thyrsusvormig, van den voet af aan vertakt, de onderste zijtakken overstaand, de overige afwisselend; hoofdas afgeplat, takken hoekig ; deze even als de bloemsteeltjes aangedrukt-behaard, trosvormig de bijschermen dragend. „Bloemen 8 mM. lang; in sicco roodbruin. Kelk met 4 eivormige spitse lobben, behaard. Kroonbladen 4 lang- werpig-lancetvormig, van buiten fijn-aanliggend-behaard. Meeldra- denbuis van buiten onbehaard, van binnen nagenoeg onbehaard, met 8 breede eenigszins uitgerande tanden. Schijf napvormig, onregel- tig-getand, van buiten onbehaard; van binnen fijn behaard. Eierstok grijsviltig of zachtharig, stijl zeer kort, aanliggend-behaard” (naar Mrqver). Vrucht bol-peervormig of (bij Herb. Kps 14585 3 uit Oost-Java) langwerpig-peervormig, met 4—8 meer of minder diepe lengte-gleuven, glad, scharlaken of oranjerood, nogal groot (60—70 mM.) 4-hokkig, of door mislukking 1-hokkig en dan kleiner en scheef. Vruchtwand vleezig; bijna rijp nog met kleverig melksap 8 mM. dik. Zaad bol-sectorvormig met spitsen voet; 40 mM. hoog bij 20 breed en 18 dik (bij 4979 3 uit Preanger Takòka 35 mM. hoog bij 26 breed) met eene zijde aan het tusschenschot vergroeid; zonder zaadrok; zaadhuid de kiem los omgevend, dik (ruim 1 mM.) van buiten vleezig, melk saphoudend van binnen vezelig met verslij- mende celwanden. Kiem melig. Zaadlobben naast elkaar met in het bovenste 4 van het zaad ingesloten pluimpje, dit fijn wollig- behaard 4 mM. lang. Worteltje naar boven gekeerd 5 mM. lang, behalve aan den top zeer fijn wollig behaard. Kiem reukeloos; bijna smakeloos, zeer weinig bitter. Cotyledonen buiten groen; in doorsnede wit.
Aanm. Beschrijving behalve van de bloem naar talrijke specimina van Herb. Kps. en van stam t/m. schors naar Herb. Kps 6016 9. Bloemen naar MrqveL overgenomen.
Geogr. verspreiding: Geheel Java op 800—1400 M. vooral 0—1000 Meter zeehoogte. Overal bijna even zeldzaam. Door ons o.a. gevonden in Bantén op den G. Karang, in de Preanger bij Takòka, in Banjoemas op G. Kapal (G. Djaran), in Madioen op G. Wilis bij Ngöbeèl, in Bèsoeki bij Pantjoer (Sitobondo). Met eenigen twijfel behooren tot deze soort eenige specimina uit Bantën (700 M.), uit Zuid-Preanger (op 50 M.), van G. Slamat in Tögal en uit laagvlakte van Zuidwest- Bösoeki (bij Poegër). Buiten Java: „Sumatra’” (Mreurr). — Standplaats: Als D. densiflorum MrQ. — Bladafval: Altijdgroen. — Bloei- en
DE,
DysoxyYLuM. il MELIACEAE.
vruchttijd: Rijpe vruchten in Midden- en Oost-Java alleen Oct. — Jan. verzameld; in West-Java in Juli—Aug. Bloemen in ? Aug. — Nogal rijk vruchtdragend. — Gebruik: Mout: Mededeelingen over bruikbaar- heid hout uiteenloopend. In Oost-Java hout-eigenschappen weinig bekend naar het schijnt en vaak ongunstig beoordeeld. Aldus ook in res. Madioen; dáár evenwel deze boomsoort als zeer zeldzaam aan bijna alle inlanders bij name onbekend. In Preanger bij Palaboehan en Takòka het hout van Ki-hadji, s. als zeer duurzaam en zeer geschikt voor huisbouw en meubels te boek staande. In de Preanger naar het schijnt deze boomsoort bijna uitgeroeid. Spint vuil wit, dof, reukeloos, moeilijk te kloven. Schors, enz.: Niet door inlanders gebezigd. Volwassen bladeren reukeloos en bijna? smakeloos. Vruchtwand van bijna rijpe vrucht met zwak aromatischen reuk (niet naar uien) en zeer bitter. — Cultuur: Aantebevelen om het hout in bergstreken van West-Java en wellicht ook voor Midden- en Oost-Java. Ook voor reboisatie m. h. oog op irrigatie. — Inl. namen: Alleen in Preanger nogal goed bekend; dáár bij Takòka en Palaboehan constant Ki-hadji, s. Im Bantën bij Tjimanoek soms ? Ki-walirang, s. Im Banjoemas op G. Djaran en op G. Wilis in Madioen naam zelfs aan de kundigste inlanders geheel onbekend. Bij Pantjoer in Bësoeki naam zeer onvast; dáár dikwijls met zeer loealen naam Janminjanan, md. aangeduid. Op G. Slamat in Tégal evenals een paar andere Dysoxylwm-soorten Kraminan, j. Bij Poegër (Bösoeki) aan de meeste inlanders onbekend; dáár soms ? Mentaos, j. De bijna gelijkluidende (identieke) namen Bintawos, j. of Bintaos, j. anders meestal voor 2 Wwightia soorten (zie onze Bijdrage No. 1 p. 114—115). — Habitus: Im vrucht is deze boom een ware sierboom en dadelijk van alle andere Javaansche boomsoorten te kennen door de vrij talrijke vuistgroote fraaie oranje-roode peervormige Dysoxylum- vruchten die jong veel melksap bevatten. Van alle andere Javaansche Dysorylwm-soorten dadelijk door de zeer groote vruchten met hoogstens 1, M. lange bladeren te onderscheiden. Zeer weinig Dysoxylwum-soorten
12 hebben zooals deze soort een bijna smakelozen kiem.
Arbor circ. 20 M. alta. Folia longiuscule petiolata glabra. Foliola alterna, distantia, eum 5—6 utringue pseudo-impari (rarissime summa opposita) oblonga saepius breviter acute acuminata (90 —190—240 mM. longa et 40 —64—85 lata), basi saepe aequali acuta vel attenuata, non- nunguam latere antico rotundata petiolulis brevibus (B—6 mM.) suffulta in sicco pergamacea subrugulosa, pallide-olivacea, subtillissime dense pel- lueido-punetulata _(erystallorum); nervis lateralibus 10—16 wtringue firmis sinuatis, avenia. _Rhachis tetragono-costulatus cum petiolo semitereti supra acutangulo-suleato, basi parum inerassato (T0—150 mM. longo), 210—450 mM. longa. „Paniculae axvillares thyrsoideae a basi inde ramosde, ramis mis oppositis reliquis alternis, avibus primarts com- pressis, religwis subangulatis, his praesertim apice pubescentibus race- moso-cymoso-floridis; ealyeis 4-lobi pubescentis lobi ovati acuti; petala 4 oblonga-lanceolata extus appresse minute pubera, Tubus stamineus extus
MELIACEAE. — 12 — DysoxYLum.
glaber, intus glabriusculus, S-dentatus dentibus latis subretusis. Discus cupularis, extus glaber, intus puberulus ovarium griseo-tomentellum am- biens; stylus brevissimus appresse pilosulus.” (Mrqver U. ec.) Capsulae magnae (50—70 mM.) globoso-pyriformae, obiter 4—8-sulcatae, laeves, pul- chre rubrae, 4-loculares vel abortu 1-loeulares et tunc minores asym- metricae. _Pericarpium carnosum, immaturum lactiferum, 8 mM. crassum. Semen dorso conveaum, antice duabus faciebus planis (sectori globi conforme), loeulo dissepimento prope angulum adnatum, ezarillatum; testa embryon laxe ambiens, crassa, strato ezteriore carnoso lactifero, interiore fibroso- mucilagineo; embryo farinosum; cotyledones collaterales, plumula supra medium ab apice distanter inclusa minute lanata, vel margine ciliata gla- bra (in specim. Javae Orient. 14585 (3); radicula supera, elongata (3—5 mM.) apice excepta, lanata.
2. Pluimen aarvormig. (Soort 12—15). 12. D. Vrieseanum Cas. Dec. Mon. 491.
„Fwijgen glad, jong groenachtig-grijs. Bladeren vrij lang gesteeld even-gevind, 4-jukkig (ongeveer 250 mM. lang). Bladspil eenigszins 4-hoekig; bladsteel 80 mM. lang, half-rolrond; beide onbehaard. Blaadjes bijna overstaand of afwisselend, kort-gesteeld, langwerpig- of eivormig-elliptisch, aan den voet ongelijk van lengte, spits; aan den top spits-cuspidaat; geheel onbehaard; stevig-vliezig, ondoorschijnend tot 120 mM. lang, bij 50. Zijnerven bijna recht uitstaand, dun, ongeveer 14 paar. Pluimen bijna even lang als het blad, bijna aarvormig bijna van den voet af aan vertakt met zeer korte, gesteelde zijtakken, de onderste 15 mM. lang, naar boven korter wordend en ongesteeld nl. van den voet af aan met bloemen bezet. Bloemen kort-gesteeld. Knoppen eivormig. Kelk nap- vormig spits-{-tandig, van buiten kort behaard; bloembladen 4 van buiten grijs kortbehaard; (+ 55 mM. lang), aan den top kort toege- spitst; meeldradenbuis eylindervormig, aan beide zijden fijn-kort- behaard; S-lobbig met gespleten lobben; helmknoppen 8, eivormig- elliptisch, 1 mM. lang; schijf kroesvormig, kort, onbehaard ; eierstok grof-behaard met 4 groeven, 4-hokkig; bolvormig; stijl 4-kant, stempel kort eylindrisch; hokjes l-eiig. Vrucht obovaat, onbehaard , roodachtig 28 mM. lang” (Cas. Dec.).
DysoxyYLuM. — 18 —= MELIACEAE.
Aanm. Ontbreekt in Herb.-Kps. Beschrijving van Cas Dec. naar een exemplaar van DE VRIESE in herb Kew uit Java
„Foliis longiuscule petiolatis, abrupto-pinnatis, 4-jugis; foliolis subop- positis alternisve, breviter petiolulatis, oblongo- vel- ovato-lanceolatis, basi inaegwilonga acutis, apice acute euspidatis, utringue glabris; paniculis sub- spiciformibus, vix peduneulatis breviter ramulosis; floribus breviter pedi- cellatis; calyce cupuliformi, acute 4-dentato, extus puberulo; petalis extus griseo-puberulis; tubo cylindrico, utringue subtiliter puberulo, 8-lacinulato lacinulis bifidulis; tubulo wrceolato, brevi, glabro; ovario hirsuto, 4-sulcato, 4-loeulari; fructu obovato, glabro. Ramuli glabri, in juventute grisco- virescentes. Folia circiter 25 cent. longa; foliola firrmo-membranacea opaca, ad 12 cent. longa, 5 cent. lata; nervis secundariis subpatulis, subtilibus, utringue circiter 14. Rhachis subtetragona, glabra. Petiolus 8 cent. longus semiteres glaber. Paniculae folium subaequantis fere abasi ramulosae ramuli peduneulati, 15 mill. longi, religui gradatim breviores, sessiles (id est a basi densiflori, saepe a basi decompositi). Alabastra ovata. Petala 4, eireiter 5 mill. *|, longa, apice breviter acuminata. Antherae 8, sub- ovato-ellipticae, 1 mill. longae, dorso supra basin sessiles. Stylus tetra- gonus, ovarium subglobosum multum superans, cum stigmate breviter cy- lindrico tubum paullo ercedens. Ovarii loculi 1-ovulati. Fructus 28 mill.
longus, rubescens.” (Cas. Dec.)
13. Dysoxylam Blumei, Mrq. Ann. le. 24; C. De. Le. p. 515; — D. Lobbi C. De. le. 484;— Heynea multijuga Br! Bijdr. 168; Rho: 1 B. 1 2 p.-542.
Twijgen sterk overlangs gerimpeld, aschgrauw met enkele lenticel- len. Bladeren zonder of meestal, door verschuiving, met eindblad naast een litteeken, langgesteeld. Blaadjes overstaand of afwisselend 6—10, kort-gesteeld, langwerpig of min of meer eivormig-lang werpig met spitsen of wigvormigen meestal gelijken, soms aan den voorrand afgeronden voet, en plotseling lang of buitengewoon lang toegespitsten top, dun-papierachtig, in sicco groenachtig-aschgrauw, met onregel- matig verspreide doorschijnende stippels of geheel onderschijnend met 10—12 zeer dunne uitstaande zijnerven, overigens ongeaderd ; van onderen eenigszins rimpelig, langs de hoofd-nerf evenals de bladsteeltjes zeer dun-kort-behaard. Bladspil en bladsteel van boven
MELIACEAE. — 14 — DyYsoxyLuM.
scherpkantig-afgeplat, aan den voet bijna niet aangezwollen; zeer fijn-behaard; 220—330 mM. lang. Bladsteel 80 - 130 mM. Blaadjes gemiddeld 160 mM. lang bij 55; bladsteeltjes 5 —10 mM. Pluimen axillair, aarvormig, geheel fijn-donzig-behaard, korter dan of even lang als de bladsteel. Bloemen geel, gesteeld (bloemsteeltjes 3 —4 mM. rolrond) alleen of in driebloemige bundels met eenige onontwikkelde knoppen, langs de geheele hoofdas geplaatst; schutbladen zeer klein. Bloemen klein of vrij groot; knoppen vierhoekig, fluweelachtig- behaard. Kelk wijd napvormig met 4 breede, stomp-driehoekige tanden. Bloembladen van buiten kort-grijs-fluweelachtig, van bin- nen zeer kort-fluweelachtig behaard, vrij, opstaand, naar buiten om- geslagen. Meeldradenbuis met 8 ( -10) korte opstaande gespleten lobben, met afgeronde lobjes, van buiten, boven behaard, van binnen onbehaard. Helmknopjes 8 (—10), iets uitstekend, breed elliptisch. Schijf kort, breed-napvormig, nagenoeg gaafrandig, niet langer dan de eierstok, van buiten glad, van binnen aangedrukt-behaard, aan den rand gewimperd. Eierstok behaard; stijl onbehaard; stempel breed, schijfvormig; 2—d-hokkig, met 2 naast elkaar geplaatste bolvormige hangende eitjes (soms met één eitje C. Dc. le). Stuif- meel klein (32—36 x) met 4—5 vrij lange meridionale plooien en dwarsche ovale poriën (ongeveer als bij D. alliaceum Br.) Vrucht (volgens C. Dc.) „peervormig, onbehaard, in sieeo zwartachtig-rood.
«. typica (D. Lobbii C. Dc.) Blaadjes ondoorschijnend, nogal stevig,
toegespitst. Pluimen soms langer dan de bladsteel, „Bloemen
dikwijls overstaande; volwassen onbehaard, middelmatig-lang-
klein ongeveer 6 mM. lang,” (Mig. Lì c).
»
Aanm. Beschrijving van het type x naar C. DC, (zie hieronder). Ontbreekt in Herb. Kps. van Java.
Geogr. verspreiding: „West-Java op G. Tjerimai”’ (Brume). „Oost-Java op den Tönggör” (JureHurN).
var. 3 grandiflora K. et V. Blaadjes alle afwisselend, dun-papierachtig, met verspreide
daarschijnende stippels; van onderen iets behaard; zéér lang toege-
DysoxyLum. — 15 — MELIACEAE.
spitst (topverlengsel dikwijls 30 mM. lang). Pluim korter dan de blad steel Bloemen (levend) middelmatig 13—14 mM. lang, 45 mM. breed, kelk 2—5 mM. hoog; schijf 1 mM. Helmknopjes 1 mM. lang. Stuifmeel 32-836 u. Bloembladen van binnen zeer- kort-fluweelachtig.
Aanm. Beschrijving der var. f naar een exemplaar van Herb. Kps. (5006 2, uit Palaboean), en van het type naar origineel exemplaar van Mig. (Heynea multijuga Br.) vergeleken met de uitmuntende beschrijving van D. Lobbianum bij C. DC. welke daar- mede in alle opzichten overeenkomt. HEen-eiige hokjes van den eierstok, zooals C. DC. voor deze soort opgeeft, komen ook bij andere soorten o.a. D. ezcelsum Br. somtijds voor, ofschoon het normale aantal eitjes der soort twee is. Het exemplaar uit Herb. Kps. wijkt door de groote bloemen en consistentie der bladeren van dat uit Midden-Java af. Van de door LoBB en pe VRIESE op Java verzamelde exemplaren, waarop de beschrijving van C. DC. berust is de vindplaats niet nader bekend.
Nader onderzoek op het terrein van de var. $ zeer aanbevolen.
Geogr. verspreiding: Slechts één boom door ons gevonden; n.l. op 50 M. aan Zuidkust-Preanger bij Palaboehanratoe. — Standplaats: Als D. densiflorum Mig. — Gebruik en inl. namen: onbekend.
Ramuli profunde rugulosi, cinerei parce lenticellosi. Folia longe pe- tiolata, pari-pinnata vel pseudo-impari-pinnata. Foliola alterna 6—10 rarius opposita 3—5 juga, breviter petiolwlata oblonga vel subovato-oblonga, basi acuta vel cuneata, rarius antice rotundata, apice abrupte longe vel longissime acuminata, tenuiter papyracea vel rigidula; in sicco viridescenti- cinerea opaca vel (in var. B) punctulis inaequalibus pellucidis, nervis lateralibus 10—12 tenerrimis patulis ceterum avenia, subtus parum rugu- losa „adulta glabra’ vel in var. B cum petiolulis puberulis, 160 mM. longa et 55 lata; petiolulo 5—10 mM. Rhachis cum petiolo 80— 130 mM. longo supra acutangulo-complanata, basi vir incrassata, 220—330 mM. longa. Paniculae axillares, spiciformes, pwberulae, petiolo -aeqwilongae vel bre- viores. Flores flavi, breviter (3—4 mM.) pedicellati, pedicellis teretibus in cymis 1—3-floris, basi alabastra nonnulla obsoleta gerentes ad rhachin inde a basi dispositi. Bracteae minutae. Flores parvi vel majusculi (6—14 mM. longi) alabastra quadrangula velutina. Calyx late cupularis denti- bus 4 late trigonis. Petala extus brevi-griseo-velutina intus brevissime velutina, Wibera, erecta, apice refleza. Tubus stamineus 8—10-lobatus, lo- bis brevibus, erectis, bifidis, loculis rotundatis, eztus supra medium pu- berus intus glaber; antherae 8—10 wir exsertae, lato-ellipticae. Discus brevis late cupularis, subinteger, ovarium haud superans, extus glaber, intus appresse pilosus, margine ciliatus. Ovarium hirsutum 2—4-loeulare ovulis collateralibus „interdum singulis” (C. Do); stylus glaber; stigma
MELIACEAE. — 16: — DYyYsoxyLuM.
late discoideum. Pollen parvum (32-—36 u) plicis 4—5 elongatis poris oblongis transsectis (fere D. alliaeei). „Capsula pgriformis glabra in sicco atro-rubescens” (C. Dc.)
a typica. Foliola rigidula, saepe opposita, adulta glabra opaca epunctata medioeriter _aeuminata. _ Panieulae petiolo interdum longiores. Flores parvi (6 mM.) Ovarium teste MrQ. 2-loeulare (widimus spec. sterile in Herb. Bog.) en
£ grandiflora. Foliola omnia alterna tenuiter papyracea, punctulis pelluecidis conspersa; subtus puberula, longissime acuminata (acumen usque 30 mM.) Paniculae petiolo breviores. Flores in vivo 13 - 14 mM. longi, 4 —5 lati. Calye 2—5 mM. altus. Discus 1 mM. Antherae 1 mM. Pollen 32-36 u. Petala intus brevissime velutina.
B Bladeren meest 3-jukkig onevengevind; bloem 5-tallig.
14 Pysoxylum arborescens Mrg.! Ann. Mus le. p. 24; CDC. Le. 489; Kine! Mal. Pen. IL p. 526; — Goniocheton arborescens Br! Bijdr. 1 177; Mrq. Flor. J. B. 1 2 p. 540; — TFrichilia arborescens SPRENG Syst. 4 cur. post p. 252; — Hartighsea acuminata MiQ.! Flor. Suppl. IL 196, 504; — Dysorylum Lampongum Miq.! Le. 196.503 (?); — D. Halmaheirae CDC.! le. 488; — Aglaia Halma- heirae MiQ.! Ann. Le.; — ? Aglaia glabrata CDC. le. non T. et B.
Boomheester of nogal lage boom. Nooit grooter gevonden dan: H=—=15 M. bij D=—=30 cM. Meestal H—=8— 10 M. bij D= 15 eM. Stam: Meestal krom en laag bij den grond herhaaldelijk vorksgewijze vertakt. Bijna zonder wortellijsten. Met knoesten. Nogal rolrond. Kroon: Zeer laag-aangezet. Meestal dicht. On- regelmatig. “Schors: 6 mM. dik. Bros. Buiten grauw met fijne barsten. Doorsnede lichtbruin. Binnen vuil wit. Met lenticellen. Zonder melksap. Zonder bladgroen. Zonder reuk. Zeer weinig bitter.
Twijgen donkerbruin of lichtbruin met talrijke ronde lenticellen bedekt. Bladeren meestal 3- (2—4)-jukkig, onevengevind, met langgesteeld eindblad, onbehaard. Blaadjes overstaand met korte vlee- zige steeltjes, de drie bovenste meest obovaat-laneetvormig of obo-
DysoxyLuM. Een „MeErIACRAE.
vaat, de overige elliptisch of zeldzamer lancetvormig, de onderste kleiner, alle met staartvormig-stomp-toegespitsten top en meestal gelijken spitsen voet; dunvliezig (aan de jongere twijgen) en dan zeer fijn-dicht-doorschijnend gestippeld of vrij stevig (in sicco perka- mentachtig) ondoorschijnend, in sicco meest vaal-groen grijs; met 6—10 veruitéénstaande, zeer dunne zijnerven. Bladsteeltjes in sicco zwart. Bladspil en steel van boven afgeplat met scherpe randen
dun, bladsteel nu en dan zeer sterk afgeplat, aan den voet niet
) verdikt, eenigszins behaard; samen 100—200 mM. lang. Blaadjes in grootte zeer verschillend, grootste (bij Herb. Kps. 13599 2 uit Kediri) 250 mM. bij #5 ; onderste van hetzelfde blad 135 bij 55 ; bij een ander specimen (D. Halmaheirae CDC.) grootste blaadje 200 mM. bij 50. Blaadjes gemiddeld 110 bij 45. Levende bladeren boven donkergroen, beneden zeer bleekgroen aan weerskanten glimmend. Kristaleellen ontbreken geheel. Bloem pluimen evenlang tot twee- maal zoo lang als de bladsteel, bijna onvertakt of met dunne 10_—60 mM. lange zijtakjes, nagenoeg niet of zeer weinig aanliggend behaard, met meest l-soms 1 -—3-bloemige gesteelde bijschermen. Bloem- knoppenrolrond, 7 mM. lang 4—5 mM. breed, (in sicco veel kleiner) op vrij lange draadvormige steeltjes. Schutblaadjes zeer klein. Bloemen groenachtig wit. Kelk zeer klein 5-tandig, vlak uitgespreid. Kroonbladen van buiten zeer dun-aanliggend-behaard, soms nagenoeg glad (war. timoriensis). Meeldradenbuis nagenoeg gaafrandig, aan weerskanten onbehaard. Helmknopjes 10 ingesloten. Stuifmeel bolvor- mig met 3—4 lengteplooien door dwarsche langwerpige poriën gekruist (24 u). Schijf komvormig, aan den rand met 20 zeer fijne ronde kartels, gewimperd, van buiten onbehaard, van binnen behaard ($—2 mM. hoog). Eierstok 3--5-hokkig met 2 collaterale eitjes in elk hokje, van buiten dicht grof behaard ; stijl aan den voet behaard. „Vrucht afgeplat obovaat stomp 4—8-hokkig met ingezonken top; zaad aan het hokje aangegroeid ; zaadhuid dun-leer- achtig, aan den navel verdikt, zonder zaadrok; zaadlobben door een diagonaal vlak gescheiden; worteltje ingesloten naar den top gekeerd” (MrQqveL).
Aanm. Beschrijving naar verschillende authenthieke specimina en naar Herb. Kps. 12283 2 van Palaboean (Preanger) en eenige andere uit Oost-Java vrucht naar MiQqueL,
MELIACEAE.
a en
DyYsoxrLuM.
Het door Zorr. in Malang verzamelde exemplaar (Herb. Zorn. 2421 in Herb. bog. wordt door C. DC. als eene afzonderlijke soort D. Halmaheirae beschreven en moet van D. arborescens verschillen door de volgende kenmerken:
Bladsteel kiemt ao
Bladwvoot stent saeta tele
Consistentie... ......
Bladvorm. .. eee Bloempluimen. ..... Sch Barterattenstere tele
D. arborescens. Olios ses aoer 35 DE ONZE speren ondd a .. stevig, ondoorschijnend...
elliptisch-langwerpig......
onbehaard. ..... zr aen komvormig nn veters alens talede
D. Halmaheirae. ZOOL KOR benen ene maas o00 5 DE vliezig, doorschijnend-gestip- IES por opaca ze
langwerpig-lancetvormig...
dun behaarde nietin krOeBvormip Tare Bieten
Meeldradenbuis gekarteld: rts teeteneve renee Saatrandie ns ne tn
De verschillen betreffende het blad hier genoemd zijn niet van waarde, daar de blad- vorm nogal varieert en bij hetzelfde individu de bladeren der jongere takken dun, door- schijnend gestippeld zijn en de andere stevig ondoorschijnend. De bloempluim bij D. arborescens is niet onbehaard bij de authentieke exemplaren van Herb Bog.; de meel- dradenbuis nagenoeg gaafrandig; zoodat als eenig verschil de vorm van den schijf zou overblijven, die wij bij het specimen van ZOLLINGER uit Malang konden onderzoeken en die dáár evenzeer komvormig is als in de andere door ons onderzochte exemplaren. Overigens is het blad van het origineele exemplaar van Aglaia Halmaheirae (ex Herb. DE VRIESE) volmaakt identiek met het door C. DC. zelf geciteerde exemplaar van D. arborescens uit Celebes (prov. Menado, TeEYsMANN in Herb. Bog.).
Een en ander heeft ons tot de synonymie van D. Halmaheirae C. DC. en Aglaia Halmaheirae Miq. met D. arborescens Mriq. doen besluiten.
Geogr. verspreiding: Geheel Java; vooral in W‚-Java; 0— 1400 M.; inzonderheid 700—1100 M. Nergens algemeen, evenwel op sommige plaatsen o.a. bij Takòka in de Preanger op 1000 M. niet zeldzaam. Buiten Java: Celebes; Ternate. — Standplaats: Als D. densiflorum Mig. — Voorkomen: Nooit gezellig. Bijna altijd verstrooid tusschen talrijke boomsoorten. — Bladafval: Altijdgroen — Gebruik: Mout: Als te klein, te krom en te zeldzaam en hout te weinig duurzaam geacht, niet door de inlanders gebezigd. — Cultuur: Niet aantebevelen. — Inl. namen: Zeer onzeker en locaal en dikwijls geheel ontbekend. In laagvlakte Banjoewangi bij Rägädjampi soms Brasan,j. Aldus elders vele andere boomsoorten aldus genoemd. In Zuid-Preanger bij Palaboean soms ? Haroeman-tjai, s. Ook zeer locale en elders soms voor andere soorten gebezigde naam. — Habitus: De kleinste van alle Javaansche Dysoxylum-soorten, soms slechts een” boomheester wordende.
Arbuscula. Ramuli grabri atro-rubescentes, dense pallide lenticellosi. Folia impari-pinnata glabra. Foliola opposita, saepius 3-juga (l—4-juga) elliptica vel lanceolata; terminalia tres obovato-lanceolata; infima minora; omnia longiuscule obtuse caudato-acuminata; basi saepius aequali acuta, breviter carnoso-petiolulata, terminali longiuscule petiolulata; membranacea vel firmula, subtilissime dense pellucido-punctulata vel opaca, in sicco sae- pius griseo-viridescentia; in vivo supra saturate viridia supra subargenteo- viridia nervis lateralibus tenerrimis 6—10. Petioluli in sicco nigrescentes. Rhachis et petiolus semiteretes, supra complanati acute-marginati; petiolus basi haud incrassatus, puberus. Foliola saepius 110 mM. longa et 45 lata,
DysoxvLuM. rf) MrrLIACEAR.
nonmunguam majora, terminalia 250 mM. longa et 95 lata; inferiora 135 longa et 55 lata; alia 200 mM. longa et 5O lata. Rhachis cum petiolo 100—200 mM. Paniculae parvae simpliciusculae vel ramulosae petiolum raro superantes puberwlae vel glabrescentes, ramulis 10—60 mM. longis, cymulas 1—8-floris peduneulatas gerentibus. Flores + 8 mM. longi pe- dicellis filiformibus aeqwilongis; bracteolis minutis viridescenti-albis. Calyx parvus 5-dentatus sub anthesi rotatus. Petala 5 appresse-parce-puberula ; tubus stamineus teres, utringue glaber, apice obsolete 10-dentulatus, antheris 10 parvis, vir exsertis. Pollen 24 u diam, poris 3—4 oblongis, plicis üis multo longioribus transversatis. Tubulus crateriformis, carnosus, minute 20-ecrenulatus, ovario vie longior extus glaber, margine ciliatus intus pilosus ; 1,2 mM. altus. Ovarium dense hirsutum 3—5 loeulare, ovulis in lo- culis 2 collateralibus. Stylus basi puberus, stigma discoideum. _„Capsula depresso-obovoidea, obtuse sub 4—3-gona, vertice depressa 5—3-loeularis; pericarpio coriaceo, firmulo, transverse ruguloso, glabro. Semina exarillata in loculis solitaria, loculi parieti adnata, basi et apice libera; dorso con- vera, antice plana vel duabus faciebus planis; testa tenwiter coriacea in siccis ex fusco-nigrescente, versus raphen et hilum crassiore. Cotyledones arcte cohaerentes, pro seminis diversa forma diversae: seminis dimidiato- ellipsoidei plano diagonali sibi accumbentes wnde una antice plana dorso converxa, altera fere triangulata: seminis antice bifacialis plano ex angulo antico versus medium deorsum continuato contiguae; radicula supera et plumula inclusae.” _(Mrqver).
Adnotatio. Specimina Zollingeriana Zour. 2421 (in Malang collecta) a C. Do. ez typo Goniocheton arborescens Br. (nomine D. Halmaheirae C. De. ewclusa) e descriptione via nisi twbulo crateriformi in D. arborescente, wurceolato in D. Halmaheirae differre videntur.
Haud jure eas disjungendas censemus.
Aglaia glabrata T. et B. (Nat Tijdschr. XXVII 42.) a C. Do. ut sy- nonymmum D. Halmaheirae citatwm ex arbore in Horto Bogoriensi cultum et cum _auctorwm descriptione comparata veram Aglaiam nobis apparuit ets foliorum habitu nee non odore forti alliaceo Dysoryli characteres simulat.
Dysoxylum Lampongum var. (3 Mira. Suppl. a Mrqurrro in Ann. |. c. et a C. De. U. e. cum D. arborescente conjungitur, a Kina (Fl. mal.) excluditur. Specimen in Herb. Bog. vidimus foliis saepe paripinnatis, fo- liolis anguste-lanceolatis, apice breviter acuminatis (haud caudatis) ramulis
elenticillatis forsitan jure distingwendum.
he caf - MR ‘e -
MELIACEAE. ISOR DyYsoxyvLum.
„. Bladeren zeer lang 5—15-jukkig; zijnerven dichotoom.
15. Dysoxylum mollissimum, Br! Bijdr. p. 175; MrQ. Ann. Le. 18, (excl. var. 7 Halmaheirae Miq.!); CDC. 1. e. 512; — „Har- tighsea mollissima a. Juss. le. 228 Mrg. Fl. L. B. 12 p. 538; supp. Ip. 504; — Frichilia mollissima SPRENG, Syst. veg. rv 2. p. 252; — Maechrochiton mollissimum Roem L. e.p. 504”. (Synon. ex MrQuer.); — D. Teysmannii Cas. Dero. Mon. 513, descript. e A Teysman- niano in Herb. Berol.).
Woudreus: H==58 M. bij D= 173 cM. (door ons gemeten boom op den G. Wilis. Stam: Zuilvormig; de eerste zware takken eerst 35 M. boven den grond; zuiver rolrond; boven een paar Meter boven den grond zonder gleuven; zonder knoesten; met relatief kleine wortellijsten. Takken: Nogal krom en nogal rijk-vertwijgd. Kroon: Zeer hoog-aangezet; nogal klein eenigszins schermvormig ; onregelmatig. Schors: 1011 mM. dik, Bros. Buiten aschgrijs, met nogal fijne overlangsche barsten en zeer weinig afschilferend. Doorsnede en binnen overlangsch-wit en oranje-gestreept. Zonder melksap. Bijna zonder bladgroen. Met sterken uienreuk. Smaak walgelijk naar rotte visch en uien en eenigszins scherp.
Twijgen nogal dun; lang-zachtharig, kaal wordend. Bladeren lang-doorgroeiend, meestal evengevind, langgesteeld. Blaadjes veel- jJukkig (5—14) meestal afwisselend, zeldzamer overstaande of bijna overstaande, kort- soms zeer kort-gesteeld, langwerpig, met afgeronden, kort-fijn-toegespitsten top en wigvormigen of afgeronden, of aan één
zijde spitsen (maar niet weggesneden) voet; de bovenste en onder- ste blaadjes kleiner dan de overige ; alle aan de onderzijde (de jongere ook aan de bovenzijde) evenals de bladsteeltjes en de spil langzacht- harig; zeldzamer kort-fluweelachtig, de oudere somtijds bijna geheel kaal; in sieeo geelgroen, vliezig, doorschijnend, dikwijls met lange streepvormige doorschijnende stippels (bij één specimen ondoorschij- nend, niet gestippeld, nagenoeg onbehaard), met uitstaande in het midden vorksgewijs gespleten zijnerven. Levende bladeren geheel lichtgroen, van boven zwak-glimmend. Bladspil en steel rolrond, de laatste aan den voet niet aangezwollen, 200 — 400 mM. lang (bladsteel 100); onderste blaadjes 65 mM. bij 37, middelste 130—160 bij 50. _Blad-
MELIACEAF. — (ll — DyYsoxyLuM.
steeltjes 2—7 mM. lang. Bij een steriel exemplaar blad 1 Meter lang 15-jukkig, spil onbehaard met fijne streepvormige lenticellen, middelste blaadjes 200 bij 60; bladsteeltjes 7 mM. Pluimen thyrsus- vormig zachtharig, zijtakken kort en dun, trosvormig, bloemen zeer kortgesteeld, tot rijkbloemige gesteelde bijschermen vereenigd, plui- men 200—400 mM. lang, zijtakken 30—60. Bloemknoppen dun rolrond, eenigszins knodsvormig (10 mM. lang 1.5 breed). Kelk zeer klein bekervormig, behaard, stomp-gelobd. Bloembladen lijn- vormig, dun-behaard. Meeldradenbuis van buiten en van binnen geheel fijn-langharig met 8 gespleten of uitgerande slippen, die iets boven de helmknopjes uitsteken, helmknopjes 8 lijnvormig; stuif- meel klein (25—30 vw) met 3—t korte smalle plooien elk met een langwerpige dwars geplaatst porie. Schijf buisvormig, half zoo lang als de stamper, met 4 breede, vleezige, diep-uitgerande of gespleten tand- jes; van buiten en van binnen met naar beneden gerichte haren. _ Bier- stok zeer klein even als het grootste deel van den stijl behaard; „hokjes (volgens Mrquer) l-eiig”. Vruchten klein, in lange plui- men, bolvormig of zeer sterk afgeplat (bijna schijfvormig) geelbruin, geheel onbehaard, eenigszins glimmend, zonder rimpels, 1 —4-zadig ; kleppen dun-houtachtig. Zaad bolsectorvormig met ingekromden top 16 mM. hoog, 14 breed, kastanjebruin aan den voet door een kleine kapvormige zaadrok omgeven, zaadhuid zeer dun (in sicco); zaadlobben donkergroen naast elkaar, met een kleine insnijding aan den top, rijk aan melksapcellen en zetmeel; worteltje naar boven gekeerd zeer klein, dicht bij den top ingesloten.
Aanm. Beschrijving van het type naar Herb. Kps. behalve de bloemen; deze naar het origineele specim. van Brume, (uit Herb. Lugd. Bat.) en naar een exemplaar van HASSKARL (439 Herb. Bog.) van een te Buitenzorg in den Hortus gekweekten boom af komstig. Dit laatste exemplaar heeft bijna geheel onbehaarde bladeren en bladstelen. Ook bij een der exemplaren van Herb. Kps. (5930 9) zijn de jongere volwassen bladeren en bladstelen kort fluweelachtig, de andere nagenoeg onbehaard; in dit exemplaar zijn tevens de blad- steeltjes veel langer dan in het type.
De door Mrqurv afgezonderde variëteit Sumatrand mag nauwelijks op dien naam aan- spraak maken, daar er in de javaansche exemplaren bij dezelfde individuen even groote zoo niet grooter verschillen in bladvorm voorkomen. De variëteit 4 Halmaheirae moet o.i, worden afgescheiden, wegens de geheel verschillende bloeiwijze en behoort eerder tot of nabij D. amooroides. De (mog zeer jonge) bloemknoppen zijn n.l. aarvormig langs de verlengde zijtakken van den pluim geplaatst.
Te oordeelen naar de uitmuntende beschrijving van C. Drc. van D. Teysmannii (naar exemplaren uit het Herb. van Berlijn) is er geen twijfel mogelijk, dat de hier beschreven
6
MELIACEAE. == == DysoxrLuM.
exemplaren tot dezelfde soort behooren. Afgezien van de beharing is de beschrijving in alle deelen identisch. Wat de zaadrok betreít, deze is zeer klein en waarschijnlijk bij de ingedroogde zaden niet meer waarneembaar. Im de minder volledige beschrijving bij Cas. Dec. van D. mollissinum BL. worden de bloembladen opgegeven als ter lengte van 21 mM.; naar de bijna open knoppen van het origineel exemplaar schijnt het ons mogelijk, dat zij deze lengte bereiken. Dergelijke zeer groote verschillen in de lengte der bloemen doen zich echter bij meer soorten van Dysorylum voor (vergelijk D. nutans en D Blumei).
Geogr, verspreiding: Door ons slechts op twee plaatsen en slechts een paar boomen gevonden; nl. op 1300 M. op G. Slamat en in Tégal boven Simpar en op 1300—1400 M. boven Ngëbél op den G. Wilis in Madioen. Op de laatste plaats niet bijzonder zeldzaam. Buiten Java: „Ternate” (Mrqver). — Standplaats: Als D. densiflorum Mig. — Bladafval: ? Altijdgroen. — Bloei- en vruchttijd: Im Oct. door ons vruchten verzameld. — Gebruik: Mout: Zou deugdzaam zijn en geschikt voor huisbouw. Is echter weinig bekend en wordt om de zeldzaamheid zeer weinig gebruikt. Spint wit. Schors, enz.: niet gebruikt. Vruchtwand der rijpe vrucht reukeloos, met eenigszins aromatisch- bitteren smaak. Kiem reukeloos en intens bitter. Jonge volwassen bladeren bijna reukeloos, met eenigszins aromatisch-bitteren en ui-achtigen smaak. — Cultuur: In reboisatie m. h. oog op irrigatie aantebevelen. — Inl. namen: Boven Ngëbël (Madioen) soms Teki, j. en soms Bawangan, j. genoemd. Beide namen zeer locaal en elders soms voor andere boom- soorten geldend. Op G. Slamat aan de inlanders geheel onbekend. — Habitus: Woudreus der bergwouden van Midden-Java, welke door de buitengewone kruinhoogte en sierlijk zuilvormigen stamvorm echter niet in deugdzaamheid van hout de evenknie is van den „koning der wouden van West-Java’ den Mala, s. of Rasamala, s. (zie onze Bijdrage No. 2 p. 203—212). Is de hoogste van alle Javaanseche Dysorylum- soorten. De gedroogde bladeren van deze soort gelijken soms zóó bedriege- lijk op die van Ailanthus malabarica Lam, dat alleen buitengewone opmerk- zaamheid in staat is om vergissing te voorkomen. Levende bladeren van Ailanthus zijn echter door blauwachtig-grijze-blad-onderzijde niet moeilijk te onderscheiden.
Var. 2 Sumatrana Mia. „Met smallere lancetvormige 130 mM. lange, 25—35 breede blaadjes; vruchtpluim met de steel 150 mM.” (Mrover).
Aanm. Beschrijving overgenomen naar MiqurL l.c.
Geogr. verspreiding: Alleen van West-Sumatra bekend; dáár door TerysMm. gevonden.
Var. y Teysmannii K. et V. (C. Dec. spec.). Bladeren geheel onbehaard.
Aanm. Beschrijving naar C‚ Dec. l.c. en Herb. Kps.
DysoxyLum. Ee MeELIACEAE.
Geogr. verspreiding: Slechts 3 boomen op de volgende 3 plaatsen door ons gevonden; nl. op circa 1000 M. op den G. Oengaran in Sëmarang; op 1100 M. bij Pondok Sëmpol op het Idjèn-plateau en op d- 300 ML boven Rägädjampi in Banjoewangi. Bwiten Java : onbekend. — Inl. namen: Zeer locaal en onzeker. In afd. Banjoewangi soms Sapíi, j. of Kajoe-sapi, j. genoemd; evenals soms een Pometia soort aldus genoemd wordt. Op Idjèn-plateau en op den Oengaran aan de inlanders onbekend. — Habitus: In loeo werd door ons alleen genoteerd voor boom op Idjèn- plateau: boomhabitus als Ganophyllum fule atum Br. (1), maar schors eenigszins aromatisch en naar uien riekend.
Arbor altissima usque ad 58 M. alta. Ramuli molliter villosi, gla- brescentes. Folia elongata, apice serius adulta demum saepius pari-pinnata, longe petiolata. Foliola 5—1l4-juga alterna vel rarius opposita, breviter, nune brevissime petiolulata, oblonga, apice breviter apiculata, basi aequali v. subaequali cuneata v. rotundata nune subeordata vel latere postico acuta (aud resecta); suprema et infima minora; omnia infra (juniora quogue supra) cum petiolulis et rhachi molliter villosa (aetate provecta nonnunguam deglabrata); membranacea; in sicco flavo-viridia, pellucida ; pellucido-li- neolata (adulta saepe opaca epunctulata); in vivo dilute viridia, supra nitidula; nervis lateralibus patulis circa medium saepissime furcatis. Rha- chis cum _petiolo (100 mM. longo) basi non incrassata, 200 —400 mM. longa, teres. Foliola infima 65 mM. longa et 37 lata; media 130 —160 longa et 50 lata; petioluli 2—T mM. Paniculae 200 — 400 mM. longi, tereti- pyramidales, pubescentes, ramis brevibus (B0—60 mM.) eymulas densifloras peduneulatas racemose gerentibus. Flores brevissime pedicellati, minute bracteolati circe. 8—10 mM. longi. Alabastra anguste subelavato-eylindrica. Calyr parvus cyathiformis puberus, lobis latis rotundatis. Petala linearia, extus parce pubera. Tubus stamineus, extus appresse-puberus, intus vil- losus, 8-lobulatis, lobulis emarginatis vel bifidis erecto-patulis; antherae inclusae lineares lobulos aeguantes. Pollen globosum plicis 3—4 longitu- dinalibus poris gan oblongis transversis aequatorialibus. Discus tu- bulosus pistilli + |, longit. aequwans margine A-dentulatus, dentibus latis crassis emarginatis vel Bk extus et intus retrorsum pilosus. Ovarium cum stylo hirsutulum; „4-loeulare loeulis wniovulatis” (teste MrQurr); styli apex exsertus glaber. Capsulae subglobosae, saepius depressae 15-—25 mM. diam. et 15—17 altae, glabra, laeves fusco-ochracceac 1-—A-spermae; val- vulis coriaceis lignosis. Semina sphaerae sectoris forma apice incurvato 16 mM. alta et 14 lata, badia, basi arillo parvo eueullacea induta; testa te- muis. Cotyledones collaterales apice breviter incisae, lactescentes et fari- nosae; radieula supera minima apicali inclusa.
(1) Van deze boomsoort is door Dr. BoerLAGE en Kps. onlangs het oorspronkelijke voorkomen op Java geconstateerd,
MELIACEAE. — 84 — DyYsoxYLuM.
„var. B. Sumatrana Mra.; foliolis angustioribus lanceolatis, 130 mM, longis, 25—35 latis; panicula fructifera eum peduneulo 150 mM.” (Mra.) vie a genwina recedit.
var. y Teysmannii K. et V. (D. Teysmannii Cas. Drc.) Folia utringue glabra. _Nullo alio discrimine recedit.
Adn. D. mollissimum var. Halmaheirae Mrq; (spec. ex Herb. Lugd. Bat. missum!) ob panieulas ramosas, floribus (alabastris) sessilibus ad ramos elongatos spicatim glomeratis valde diversum et forsitan ad D. Amoo- roides Mrg. referendum. Species nostra foliis adultis toto deglabratis va- riat. Haec forma vie pro varietate habenda, formis intermediis foliis to- mentosis, in eodem arbore oceurrentibus— D. Teysmannii Cas. Drc. est forma glabra hujus speciei quod ex illius deseriptione elucidat.
B Soorten met vrijbladigen kelk (subgenus Didymocheton) (species 16 —18). a Bladeren lang; 10—13-jukkig. 16. Dysoxylum amooroides Mrq.! Ann. Le. 4 p. 16); CDC. Le. p. 518; — D. othophorum Mrq. Le. p. 15; — D. maerophyllum et pubescens T. et B.! Cat. Hort. Bog.
Nogal lage (1) boom in ’s Lands Plantentuin.
Twijgen hoekig gebogen, licht-grijs-bruin. Bladeren vrij kort- of zeer kort-gesteeld, onevengevind met langzame ontwikkeling van den top of, door abortus van den top, evengevind (meestal bij het type); dikwijls zeer groot (300 mM. tot meer dan een Meter lang) met rolronde, zijdelings iets afgeplatte spil en aan den voet min of meer of (bij var. 2 en 7) zeer sterk verdikt en dan diep uitge- hold. Blaadjes in 10—13 jukken; het onderste paar klein met afgeronden of hartvormigen voet eivormig of cirkelrond met kort toegespitsten top, de 2 of 3 volgende paren grooter elliptisch; de overige langwerpig met stomp toegespitsten top met scheven van voren afgeronden, van achteren hoog weggesneden voet; gemiddeld 140—180 mM. lang 50—60 breed, zeer kort gesteeld (5—10 mM.); eindblad, waar het ontwikkeld is langer gesteeld (+ 15 mM.); dun-vliezig-doorschijnend of stevig-vliezig met talrijke zeer fijne
(1) Ziekelijk exemplaar.
DysoxYLum. — 85 — MELIACEAE.
doorschijnende stippels; in sicco licht-geelgroen of grijsachtig groen met gele nerven; geheel onbehaard of min of meer behaard ; zijner- ven ongeveer 10—15 dun onregelmatig uitstaand aan beide zijden uitspringend. Blaadjes levend licht groen met zeer lichte nerven. Bladspil witachtiggroen. Bloempluimen pyramide-vormig, 200— 500 mM. lang; kort of vrij lang gesteeld, met korte of lange zij- takken; deze aarvormig met alleenstaande, zittende of tot kluwens vereenigde bloemen, of vertakt met aarvormige zijtakjes; hoofdas driehoekig, behaard of onbehaard; zijtakken zacht-behaard. Schut- bladen zeer klein, priemvormig ; in één exemplaar bladachtig (in enkel- voudige langgesteelde of drietallige blaadjes veranderd). Bloemen zittend met 2—5 aan de kelkbladen in vorm gelijkende schutblaad- jes aan den voet. Kelk vrijbladig met 5 breed-eivormige concave stompe of afgeronde ongelijke, dakpansgewijs over elkaar liggende, vliezige gewimperde, dicht behaarde of bijna kale kelkblaadjes. Kroonbladen 4—5 zijdeachtig behaard, aan den voet tot de helft of °/, meer of minder stevig aan de meeldradenbuis verbonden. Deze buis van boven, voor zoover vrij, grof-behaard; van binnen geheel dun-lang behaard, met 8—10-lobbigen rand, lobjes klein gaaf of uitgerand opstaand. Helmknopjes klein, even lang als de lobjes, ingesloten. Stuifmeel bolvormig met 4 dwarsche poriën, door smalle korte plooien gekruist. Schijf buisvormig, vlak onder den rand eenigszins ingesnoerd, met bijna gaven, zeer fijn getanden rand, van buiten onbehaard (bij var. y met enkele haartjes) bijna half zoo lang als de stamper. Eierstok dicht- behaard, 5-hokkig met twee schuin boven elkaar geplaatste eitjes in elk hokje; stijl behalve aan den top geheel behaard. Doosvrucht afgeplat-bolvormig, 3—5- hokkig, fluweelachtig behaard bij het indrogen netvormig gerimpeld, met een verheven naad langs den rand der kleppen, kort gesnaveld met leerachtige kleppen; 18-—25 mM. in middellijn 15—20 hoog. Zaden 1—2 in elk ‘hokje, ter grootte van een erwt; aan den binnenrand hoekig met twee zijvlakken, door een bruine dunne zaad- huid los omhuld, navelstreng aan de buikzijde tot een zeer weeken vleezigen zaadrok verdikt, die de binnen-beneden-kant van het zaad als een dikke kap omhult (in sieco geheel indrogend). Kiem door een zeer dun binnenste zaadvlies omgeven, half-bolvormig met stevig
A IP WE < Nes Ue , Pel = et re 5 -
MELIACEAE. —= 86 —= DysoxYLuM.
aaneengegroeide zaadlobben (rijk aan zetmeel) met zeer klein wortel- tje aan den top ingesloten, maar uitwendig zichtbaar, onbehaard pluimpje bijna niet ontwikkeld.
var. « typica. Bladeren meestal door mislukking van den top evengevind, duidelijk gesteeld (30 —60 mM.) met aan den voet niet zeer sterk verdikten bladsteel; de jonge blaadjes vooral van onderen behaard; de oude geheel onbehaard, alleen met een haarbosje in de oksels der nerven aan de onderzijde. Zijtakken der pluimen aarvormig of zeer weinig vertakt, kort. Bloemen bijna altijd alleenstaand. Kelkbladen van buiten kaal wordend. Schijf van buiten onbehaard.
Aanm, Beschrijving van het type naar een levend exemplaar in den Hortus Bog. (IIL C 30) vergeleken met authentiek exemplaar {enkele blaadjes uit Nieuw-Guinea en Ceram) uit Herb. Lugd. Bat. Evenals in het origineele exemplaar zijn ook bij het levende de blaadjes door haarbosjes in de bladnerf-oksels gekenmerkt. Deze typische vorm komt waarschijnlijk niet op Java voor. HEenige exemplaren van Herb. Kps. „uit Oost-Java) die er door de bloeiwijze en habitus van blad volkomen mede overeenstemmen (4914 3), verschillen echter door het gemis der haarbosjes en vooral doordat het onderste bladpaar als oortjes aan den bladvoet is geplaatst.
Var. B is in den Hortus Bog. door twee exemplaren onder de namen 7. macrophyllum en 7. pubescens T. et B. (IL B 27 en 81) vertegenwoordigd, die echter volmaakt aan elkaar gelijk zijn. Deze vorm waartoe de meeste exemplaren van Herb. Kps. behooren varieert in de grootte en beharing der bladeren (soms bij hetzelfde exemplaar) en in de vertakking der bloeiwijzen; zij is door overgangsvormen (uit Oost-Java) met het type a verbonden (Herb. Kps. 4914 9).
Var. y is naar een levend exemplaar in Hort. Bog. (III B 64), afkomstig uit Djokjakértà; en is in Herb Kps. waarschijnlijk door een niet-bloeiend exemplaar uti uit Palaboehanratoe (Preanger) vertegenwoordigd en misschien door een tweede uit Madioen. Dit laatste verschilt van andere (bloeiende) van dezelfde vindplaats wat de bladeren betreft alleen door de beharing en is dus misschien een behaarde vorm van var. f.
De beide Javaansche variëteiten onderscheiden zich door een vrij sterken eigenaardigen compost- of humus-reuk, die zich spoedig na het afplukken ontwikkelt en bij het type a ontbreekt. 3
MrquerL geeft zoowel voor D. amooroides als voor D. otophorum op, dat de bloembladen met de meeldradenbuis vergroeid zijn; hetgeen met onze waarneming overeenkomt; evenwel geeft C. Dc. voor beide soorten ten onrechte op „meeldradenbuis vrij”. k
Geogr. verspreiding: Het type x alleen van Nieuw-Guinea, Ceram en Celebes bekend.
Var. £ otophora K. et V. (MrQ. species); — D. macrophyllum Teysm. et BiNN. Cat. Herb. Bog.
DysoxyLum. 8 MELIACEAE.
Hooge boom: H—=25 M. bij D==45 eM. (getaxeerd). Stam: Recht; zonder knoesten; met enkele gleuven; met kleine wortellijs- ten; hoog boven den grond zich vorksgewijze in een gering aantal schuinopwaartsgerichte takken verdeelend. Takken: Uiterste twij- gen dik. Kroon: Zeer iijl; eigenaardig door de vrij lange aan de uiteinden der twijgen geplaatste (gevinde) bladeren. Schors:8— 10 mM. dik. Bros. Buiten grauw en nogal glad; bijna niet afschil- ferend. Doorsnede vuil-wit. Met talrijke groote oude lenticellen. Zonder melksap. Met eenigszins stinkenden (niet naar uien) reuk en bitteren smaak. Bladeren meestal onevengevind; zeer kort gesteeld 5—20 mM. Bladsteel aan den voet zeer sterk verdikt diep uitgehold, met breeden leunstoelachtigen rand; onderste blaadjes klein, soms zeer klein (12—20 mM. breed en even lang) rond met hartvormigen of afgeronden voet en kort toegespitsten top, kort-gesteeld (2—3 mM.) gelijkende op steunblaadjes; de volgende 3 of 4 paren geleidelijk grooter wordend, elliptisch met afgeronden of hartvor- migen voet, de overige langwerpig; dikwijls 300 mM. lang. Blad- spil dikwijls meer dan een Meter lang. Blaadjes onbehaard of min of meer donzig aan de ondervlakte, (vooral bij bladeren van jonge loten); altijd zonder haarbosje in de oksels der nerven. Pluimen zelden als bij het type x meestal zeer lang en sterk vertakt 200 — 500 mM. lang; met lange (120—180 mM.) zijtakken, die aan korte aarvormige vertakkingen (5 —15 mM. lang) de alleenstaande of in kleine kluwens vereenigde bloemen dragen. Kelkbladen van buiten behaard, schijf van buiten onbehaard.
Geogr. verspreiding: In geheel Midden- en Oost-Java op vele plaatsen algemeen o.a. in Sömarang en Pékalongan. In res. Madioen en Bùösoeki nog tot op 950 Meter gevonden. Im West-Java naar het schijnt door de war. y vervangen. Buiten Java: onbekend. — Stand- plaats: Bij voorkeur in loofverliezende bosschen; o.a. in meeste djati- bosschen vrij algemeen; ook in altijdgroen bosch; dan echter bijna alleen in Jongesecundaire “bosschen o.a. in laagvlakte van Ragadjampi in Banjoe- wangi. Bladafval: Soms (?) loofverliezend. — Vermenigvuldiging: Groeit snel en werkt zich gemakkelijk door alang-alang heen. Behoort vaak tot de pioniers van spontaan opschietend bosch op verlaten bouw- velden in Midden- en Oost-Java. — Gebruik: Mout: Als zeer weinig duurzaam nooit door de inlanders gebezigd. Heeft geen kernhout. Hout geheel wit; versch eenigszins (?) stinkend. Schors, enz.: niet door de inlanders gebezigd. Levende bladeren reukeloos en eenigszins bitter. — Bloei- en vruchttijd: Door ons het geheele jaar door (evenwel
MELIACEAE. — 88 — DysoxyLum.
niet bij dezelfde individuen) bloemen en daarna vruchten. Rijpe vruchten o.a. in Maart, Mei, Nov. en o.a. in Januari, Febr., Aug. en Nov. — Cultuur: Niet aantebevelen. — Inl. namen: Ofschoon eenige andere boomsoorten en vooral Dysorylwm-soorten aldus genoemd worden gelden de volgende namen bij voorkeur voor deze boomsoort: Kédojd, j. of Dojd, j. in bijna geheel Midden- en Oost-Java; Ketoedjeuh md. in res. Bösoeki; Kedojd, j. s. bij Tjilatjap in Banjoemas en Dojd, j. bij Soebah in Péka- longan. — Habitus: Eigenaardig; zelfs in blad de aandacht trekkende door de veelal kandelaber-vormige vertakking van den rechten stam met lange grofgevinde bladeren aan de uiteinden der weinig vertakte dikke takken. Vooral bij jongere boomen is deze boom-habitus eigenaardig. In bloei- en vruchttijd niet meer dan anders in het oogvallend. De vruchten echter zóó typisch en ook de reuk der gedroogde bladeren zoo karakteristiek (zie boven de beschrijving) en dat men deze soort van alle Javaansche boomen alleen daaraan in het bosch dadelijk kan herkennen.
Var. 7 pubescens K. et V. — D. macrophyllum et D. pubescens T. et B.! Cat. Hort. Bog.
Bladeren groot, kort-gesteeld, maar bladsteel meest iets langer dan bij var. 2 diep uitgehold (20 —35 mM. lang). Onderste blaadjes 30—45 mM. lang hartvormig, zeer kort- (Ll mM.) gesteeld. Bladspil. Blaadjes van boven met verspreide haren, vooral langs de hoofdnerf ; van onderen vrij lang zacht-behaard. Bloem pluimen slechts één- maal vertakt. Bloemen meest alleenstaand of tot kleine kluwens aan de zijtakken; deze korter dan de hoofdsteel. Bloemen grooter dan bij var. « en @ dikwijls 5-tallig. Bloemkroon aan den voet door de kelk ingesnoerd. Kelkbladen geheel behaard. Schijf van buiten met enkele verspreide haartjes. Vrucht meer behaard dan bij
var. %.
Geogr. verspreiding: Door ons nog slechts op 2 plaatsen eenige boomen gevonden; nl. op 900 M. boven Ngöbel op den G. Wilis in Madioen en op 1250 M. bij Pangèntjongan in afd. Limbangan (Preanger). Buiten Java: onbekend. — Standplaats: Op constant nogal vochtigen grond. — Cultuur: Door ons aangeplant gevonden bij Pangentjòngan (Preanger) in een reboisatie m.h. oog op grondverbetering. Daarvoor o. i. door de ijle kroon minder geschikt. Daar geplante 30-jarige boom mat in 1893: H— 13 M. bij D= 20 cM. — Inl. naam: Bij Pangen- tjòngan (Preanger) vrij constant Ki-tai, s. genoemd. Elders ook een paar andere boomsoorten aldus geheeten. Bij Ngöbel (Madioen) Kedojd, j. evenals de var. (3. — Habitus: Geheel (?) de var. 3 maar blaadjes meer behaard.
Folia breviter vel brevissime petiolata; adulta saepius glabra impari-
DyYsoxyLuM. — 89 — MELIACEAE.
pinnata apice tardius evoluta vel abrupto-pinnata; valde elongatha ; rhachi tereti lateraliter compressa, gracili; in sicco straminea; 300 —920 mM. longa petiolo (in var. (B et y) valde inerassato, profunde sulcata. Foliola 10—13-juga; inferiora parva; e basi cordata vel rotundata (infima in var. 3 et y ma basi inserta stipulas simulantia) pedetentim inerescentia, elliptica, basi aequalia, rotundata vel cordata (40—80 longa 36—55 lata) ceterwm oblonga, acuminata, basi valde obligua antiee lato-rotundata, pos- tice alte resecto (saepius 140—180 longa et 50—60 lata); tenui-membra- nacea pellucida, in sicco stramineo-viridescentia adulta glabra vel subtus ad nervos et petiolulis hine inde puberulis (in y pubescentia) terminale rarius evolutum tum longe petiolulatum (petiol. 15 mM.) Nervi laterales tenues utringue prominuli 10—15 irregulares, patuli. Petioluli hine 4, illine (lamina resecta) 10 mM. longi. Foliola in vivo pallide-viridescentia nervis flavescentibus; rhachi albido-viridescente. _Paniculae pyramidatae saepius 200—250 mM. longae, breviter peduneulatae, ramis brevibus, in- ferioribus + 60 mM., versus apicem sensim decrescentibus, rarius magis elongatis ramulosis; floribus in ramulis spicatim confertis, ad ramos su- periores glomerwlatis, subsimplicibus spicatis, dense velutino-puberis; rha- chi triguetro glabrescente. Bracteae parvae, subulatae. Flores sessiles, sae- pius solitarii; varius 2—3-glomerati; basi bracteolis 2—5-sepalis confor- mibus. Calyx 5-sepalus, sepalis rotundatis, valde concavis, margine mem- branaceis ciliatis dense puberis vel glabrescentibus imbricatis. Petala 4—5 extus dense sericea, basi *|, vel ?|, twbo stamineo agglutinata, („interdum? libera” C. Do.) apice patulo. Tubus stamineus extus parte libera hirtus, intus laxe villosulus, lobis 8—10 brevibus obtusis vel leviter emarginatis. Antherae 10 lobis aeqwilongae viv exsertae. Pollen 40 pz longum, plicis 4 minutis longitudinalibus, poris oblongis üs transversis. Discus tubulosus prope apicem constrictus ore sub-integro extus glaber (in „var. pubescens” parcissime pilosellus), intus retrorsum pilosus, dinidio pistilli brevior. Ova- rium hirsutum 5-loeuwlare; ovulis in loculis binis superpositis; stylus fere toto hirsuto, summo apice glabro. Capsula depresso-globosa, 3—5-loeu- laris 18—25 mM. diam. et 15—20 alta, suturis valvarum elevatis, bre- vissime rostellata, pubescens; valwis coriaceis in sicco reticulato-rugosis. Semina in loeulis 1 vel 2 oblique superposita pisiformia; testa tenvi-mem- branacea, rubra, embryon laxe investiens funiculo ventre et basi in arillum crassum molliter carnosum trigonum cucullarem incrassato. Embryo teg- mine tenud indutum, semiglobosum, ad hilum depressum. Cotyledones valde maeguales, arcte connatae. Radicula minuta, supera, summo apice in- elusa, subexserta glabra; plumula subnulla.
MELIACEAE. == DysoxyLuM.
var. & typica (nova-guineensis).
Folia petiolata, saepius abrupto-pinnata, petiolo 30—60 mM. basi pa- rum inerassato; novella subtus ad nervos pubera demum glaberrima, ad azillos nervorum subtus barbellata. Panieularum rami spiciformes vel pauciramulosi breves (usque 60 mM.) Flores solitarii. Sepala eztus gla- brescentia. Tubulus ertus glaber. Folia inodora. 3
Vidimus siccam in Herb. Hort. Bog. e Ceram et Nova Guinea, vivam in Hort. Bog.
var. (B otophorum (Mia.) K. ef V.;— D. macrophyllum ef ? pubescens T. et B. Cat. Hort. Bog.
Folia brevissime petiolata (5—20 mM.); petiolo hasi valde incrassato. Foliola jugi infimi parva; 12—20 mM. longa et lata; rotundata, basi cordata, reflexa, stipula simulantia. Folia saepe maxima rhachi plus me- trali, foliolis 300 mM. longis, glabris vel subtus imprimis ad nervos parce puberis, arillis non-barbellatis. Paniculae ramosissimae 200—500 mM. longae brevi vel longe pedunculatae (40—90 mM); ramis paniculae di- midium aequantes vel superantes (80—180 longis) valde ramulosis floribus ad ramulos 5—15 mM. longos spicatim dispositis saepe pauci-glomeratis. Bracteae sub ramis parvae subulatae in singulo specimine foliosae (4921 3) sepala ertus dense pubescentia. Tubulus extus glaber. Folia dum emar- vescunt odorem putrefactionis exchalant.
Adn. Specimina duo in Hort. Bog. (nom. D. maerophyllum et D. pu- buscens T. et B.), omnia fera specimina Javanica in Herb. Kps. ad hane formam pertinent; nonnulla tamen paniculis simplici-ramosis ad genuinam, foliis basi auriculatis ad 3 referenda intermediam forman constituent.
var. y pubescens K. ct V.
Folia magna breviter petiolulata (20—35 mM ); foliolis inferioribus 30 —45 mM. longis, late cordatis, brevissime petiolulatis; rhachi eum petiolulis et foliis subtus molliter tomentosis. Paniculae ramosae, ramis spicatim flo- rigeris: floribus interdum 2—3-glomeratis. Flores quam in var. (3 majores (14 mM. longi) saepe pentameri; petala tubo alte et arcte connata; discus
ertus pilis sparsis conspersus.— Folia olentia ut in 3,
b. Bladeren 1—A-jukkig, onevengevind. a. Meeldradenbuis onbehaard.
17. Dysoxylum nutans, Mrq. Ann. le. 17; C. DC. Le. 520; — Didymocheton nutans Br.! Bijdr. p. 177; Mrq. Flor. 1. B. r 2 p.
DysoxyLumM. — 9 — MeErL(ACEAR
540; — Melia pubescens Reinw. in Cat. Hort. Bog. — Didymocheton Leschenaultii, Hort. Bog.! non Jussreu.
Zeer lage boom of boomheester; meestal H=6—7 M. bij D= 15 —20 cM. Soms H—=3—5 M. bij 8—10 eM. Stam: Meestal krom en laag vertakt. Kroon: Laag-aangezet;nogaliijl. Schors: 2 mM. dik. Buiten grauw; nogal glad. Doorsnede en binnen vuil- wit. Nagenoeg reukeloos. Zeer bitter.
Twijgen rolrond; min of meer behaard; glanzig lichtbruin met ronde kleine lenticellen. Bladeren langgesteeld, onevengevind, 2—3-jukkig, zelden 1- of 4-jukkig. Blaadjes nagenoeg overstaand; zeer kort gesteeld; de bovenste meest zittend, elliptisch met spitsen voet en spits-abrupt-toegespitsten top; de 3 eindbladen ongesteeld of het middelste vrij lang gesteeld, (langwerpig) omgekeerd-eivor- mig met spits versmalden voet; vliezig in sicco iets doorschijnend, geelachtiggroen, met 8-— 12 paar (zelden 16—20 paar) dunne over- staande zijnerven, meest onduidelijk of niet netvormig geaderd; van boven onbehaard bij var. 3 op de nerven behaard), van onderen meestal langs de nerven evenals de bladsteeltjes en bladspil dun- behaard, somtijds geheel onbehaard, (bij var. 2 dicht lang-zacht- harig). Bladspil en steel rolrond voet niet verdikt, te zamen 140—250 mM. (steel 45—90 mM.) onderste blaadjes 35—70 mM. bij 25—43; bovenste 135 —240 bij 40_—85. Bladsteeltje meest 0 —2 mM., van het eindblad O—14 mM. Versche bladeren lichtgroen. Pluimen korter dan het blad (120—300 mM.), langgesteeld met slanke dunne hoofdas en ver uiteenstaand zeer dunne zijtakken, geheel aanliggend behaard. Bloemen vuilwit alleen of in (2—7 bloemige) kluwens of bundels of min of meer stervormig nabij den top der 10—60 mM. lange zijtakjes, meest ongesteeld of zeer kort gesteeld, met een klein priemvormig schutblad aan den voet der steeltjes; licht roomkleurig, 15—20 mM. lang. Kelk fraai lichtgroen ‚ nagenoeg vrijbladig met 5 dakpansgewijze eivormige of ronde, cus- pidate of stompe, behaarde en gewimperde blaadjes, met 2 of 3 kleine schutblaadjes aan den voet. Bloembladen 5 rechtopstaand leliewit of geelachtig wit van het midden af omgebogen uitstaand, aan den voet aan de meeldradenbuis vastgekleefd, fluweelachtig
MELIACEAE. — 92 — DysoxYLuM.
met naar beneden gerichte haren 16—18 mM. (volgens CDC. 1 mM.) lang. Buis (17 mM. lang) wit van buiten aanliggend- behaard, aan den top 10 lobbig met diepgespleten opstaande lobben (bijna 20-lobbig), van binnen behalve aan den verbreeden voet langharig. Helinknopjes 10, uitstekend, vuil wit, langwerpig, l-- 1} mM. lang. Stuifmeel met 4 op ongelijke afstanden ge- plaatste langwerpige poriën, loodrecht gekruist door dunne korte plooien, 56 « middellijn. Schijf 5 mM. lang ongelijk-kort-gelobd met uitgerande lobjes aan weerskanten onbehaard. Eierstok B-hokkig, wit; klein behaard. Stijl niet uitstekend; wit, aan den top onbehaard. Stempel cylindervormig. Eitjes boven elkaar. Vrucht obovaat of elliptisch, gesnaveld; buiten fraai licht bruin geel; zachtharig; in sicco eenigszins netvormig-gerimpeld, met de kelk ein schutblaadjes aan den voet, 5 kleppig, 5 hokkig 5—10 zadig, circa 20 mM. hoog. Kleppen leerachtig, van buiten okerbruin, van binnen stroogeel. Zaad opstaand, met een vleezig verdikte zaadstreng (zaadrok rudiment) aan den voet, die er aan de rugzijde mee samenhangt en daar in een ovaal vaatwerk eindigt; langwerpig, 3 zijdig, ongeveer 13 mM. hoog bij 7 breed en dik, (in de tweezadige hokjes kleiner) poortje aan de buikzijde nabij den top. Zaadlobben zeer ongelijk, achter elkaar geplaatst en door een diagonaal vlak gescheiden, de buitenste (voorste) het kleinste. Pluimpje uiterst klein (0.6 mM.) nabij den top geplaatst, ingesloten met (mikroskopiseche) knodsvormige klierharen bedekt, worteltje rudi- mentair naar den top gekeerd.
B. tomentosum MrQ. Bladeren aan de onderzijde en bladstelen
dicht-lang-zachtharig.
Aanm. Beschrijving ook van de var. 2 naar eenige specimina Herb. Kps. en naar levend specimen uit Hort. Bog (IL B. 3). Onder de origineele exemplaren is merk- waardig een exemplaar met naar boven uitgeschulpte spits-gelobde bladeren door BLUME verzameld. Tusschen de 3 en het type bestaan overgangen; slechts enkele exemplaren zijn bijna geheel onbehaard.
De grootte der bloemen schijnt te varieeren. C. Dc. geeft op lengte der bloembladen 7 mM. (naar spec. ZoLr. 908 en 511) bij onze exemplaren zijn zij 15—18 mM. lang
Geogr. verspreiding: Geheel West- en Midden-Java en waar- schijnlijk ook in Oost-Java. Alleen op 700 —1500 M. Ofschoon nergens bijzonder algemeen, toch op enkele punten niet zeldzaam o.a. de var. (3
DysoxyYLum. Gh MELIACEAE.
door ons bij Pangèntjòngan in de Preanger op 1200—1500 M. en door JuNGHUEN op den G. Oengaran gevonden. Het type met zekerheid aan ons alleen nog van den G. Poelasari in Bantën, G. Wilis in Madioen, G. Midangan in Banjoemas en N. W. Praoe in Pëkalongan bekend. Buiten Java: Het type niet buiten Java bekend. De var. (3 buiten Java alleen van Sumatra bekend (Korruars). — Standplaats: Alleen in vochtige altiijdgroene hoogstammige bergbosschen.— Bladafval: Altijdgroen. — Bloei- en vruchttiijd: Het geheele? jaar door. — Gebruik: Hout: Als te klein en hout te weinig duurzaám nooit